Turkije, de Unie en de terechte reserves

Grote politieke beslissingen gaan op het moment dat ze worden genomen meestal vergezeld van omgevingsruis. Dat hoort bij het proces. Politieke besluitvorming is nemen en geven, en het gerinkel van het wisselgeld overstemt niet zelden het feit en het belang van de transactie. De regeringsleiders van de Europese Unie hebben gisteren onder voorzitterschap van Nederland besloten dat Turkije vanaf 3 oktober 2005 mag onderhandelen over lidmaatschap van de EU. Terecht zijn hier tal van clausules aan verbonden; voorwaarden die ieder voor zich zoveel aandacht opeisen dat ze de hoofdgebeurtenis haast verdringen. Die luidt dat Turkije zich over een aantal jaren, als het zonder hindernissen aan alle voorwaarden heeft voldaan, volwaardig EU-lid mag noemen. De politici die dit de afgelopen dagen bepaalden, zijn tegen die tijd – waarschijnlijk ruim na 2015 – allen van het toneel verdwenen. De stap die ze hebben gezet zal de Unie ingrijpend veranderen: demografisch, economisch, religieus. De woordacrobatiek en de kleine letters in het akkoord zijn mede bedoeld ter geruststelling van de bezorgde burger. Ze kunnen wél roet in het eten gooien. Maar de lotsverbondenheid tussen de EU en Turkije is nu al zo groot dat mislukte of geblokkeerde toetredingsgesprekken vrijwel zeker tot een crisis zullen leiden; in Turkije, de Unie en in de onderlinge relatie.

De belangrijkste ruis over het Turkse akkoord werd veroorzaakt door twee zaken: de kwestie-Cyprus en de vraag of `onderhandelen' ook `toetreden' betekent. Wat dat laatste betreft: de Unie heeft nadrukkelijk voor een openeinderegeling gekozen. Dat wil zeggen dat over toetreding wordt onderhandeld zonder garantie op succes. Turkije zal niet automatisch lid worden, en dat is maar goed ook, gezien de weerstanden in Europa tegen deze bijzondere nieuwkomer. 's Lands omvang en inwonertal, de armoede en nu nog gebrekkig functionerende economie, het democratische en rechtsstatelijke deficit – dit alles zien velen als bedreiging voor de EU of als bevestiging van het feit dat Turkije nog niet rijp is voor toetreding. Wat menigeen niet zegt maar wel denkt, is dat zich bij de goeddeels christelijke Unie een islamitische staat voegt. Geseculariseerd maar toch: de islam zal met Turkije massaal zijn intrede in Europa doen. Dit zou geen argument moeten zijn – de EU hoort inderdaad geen `christenclub' te zijn – maar is het feitelijk wel. De politieke leiders weten dat, en sommigen hebben er ook naar gehandeld.

Dan Cyprus. Al vanaf de misplaatste toetreding van deze gedeelde en dus problematische ministaat was duidelijk dat het onopgeloste vraagstuk van de eilanddeling vroeg of laat tot moeilijkheden met de EU of Turkije zou leiden. Hetgeen gisteren in Brussel gebeurde. Erkenning van Cyprus door Turkije was de voorspelbare hindernis die een akkoord over de Turkse toetreding in de weg stond. De vondst van indirecte erkenning door ondertekening van de akkoorden over uitbreiding van de douane-unie tussen de EU en Turkije is niet meer dan een doekje voor het vele bloed dat in het verleden op het eiland vloeide. De komende dagen moeten uitwijzen of de Turkse premier Erdogan met dit compromis thuis kon komen. Nog harder dan voorheen zal aan eenwording van Cyprus moeten worden gewerkt. Het is onverteerbaar dat de tijdbom door blijft tikken.

Op deze plaats is meermaals gezegd dat, alles afgewogen, Turkse toetreding een goede zaak is. Maar alle `voors' voor een Europees Turkije hebben haast evenveel `tegens'. Het land is letterlijk en figuurlijk een grensgeval – wat de noodzaak onderstreept om de grenzen van de Unie te definiëren. Dat Nederland als roulerend EU-voorzitter deze gordiaanse knoop een beetje kon helpen ontwarren, is een politiek en diplomatiek succes. Of de generaties na ons ook blij zullen zijn hangt af van de vraag of Turkije probleemloos in de EU integreert. En of de Unie bestand is tegen zoveel groots en ongewis.