Sinistere inserties

Hoe maak je van lectuur literatuur? Met de juiste bijvoeglijke naam- woorden! Een literaire cursus.

Een verhaaltje verzinnen en opschrijven, dat kan iedereen. Maar er literatuur van maken, dat is de kunst. De literaire schrijver moet zijn tekst voorzien van de juiste bijvoeglijke naamwoorden. Elk bijvoeglijk naamwoord moet voldoen aan twee eisen. Ten eerste moet het bijvoeglijk naamwoord totaal onverwacht, liefst paradoxaal, vóór zijn zelfstandig naamwoord komen te staan. Ten tweede moet het bijvoeglijk naamwoord naadloos, liefst op unieke wijze, bij het zelfstandig naamwoord passen waar het vóór komt te staan. Die twee eisen lijken met elkaar in strijd, vandaar veel slechte boeken, slechte recensies, slechte humeuren. Maar ik heb de oplossing gevonden, die ik u via een voorbeeld duidelijk zal maken.

Eerst geef ik het onversierde verhaaltje, zonder enige aanspraak op inspiratie of eigen inspraak van aspiratie.

Teeltkeus

De bonenmeid lag, in haar modegenre van rijkleed, prangnet en kamsnoer, op haar ligbankje met bekledinkje. De reisagent met zijn tot spleetogen neigende geitenogen, was een bedriegal die zich beurtelings voordeed als houwdegen, herenboer, molenaar of zelfs als Estlander.

Zij drinkt de limonade, hij het gerstebier. Zij debuteert met het liedje: `O, mijn bedvriendje' in een verenbed met bedranden en bedscherm op zoek naar gavialen! Haar begeleider haalt zijn jachtgerei, een lidje, tevoorschijn zoals snotapen dat doen. Geklieder vond onze bonenmeid zulke minnegloed. En eigenwijs, zonder ondertoets, sprak de ornatrice: Bewaar dat likstokje maar voor een piesgriet!

Na die wreveldaad hervatte de reisagent zijn levensdraad.

Aldus de videotape van urbanisme.

Nu de versierde versie:

Tekstuele teeltkeus

De onbeminde bonenmeid lag, in haar ongeremde modegenre van redelijk deerlijk rijkleed, pregnant prangnet en romanesk kamsnoer, op haar bangelijk ligbankje met bedenkelijk bekledinkje. De snaterige reisagent met zijn tot opgesleten spleetogen neigende ingetogene geitenogen, was een bladerige bedriegal die zich beurtelings geelbruinst en bruingeelst voordeed als ongehuwde houwdegen, herborene herenboer, anormale molenaar of zelfs als stralende Estlander.

Zij drinkt de mondiale limonade, hij het streberige gerstebier. Zij debuteert beteuterd met het ijdele liedje `O, mijn bedrijvende bedvriendje' in een bedreven verenbed met brandende bedranden en beschermd bedscherm op zoek naar vaginale gavialen! Haar beelderige begeleider haalt zijn jachterige jachtgerei, een ijdel lidje, tevoorschijn zoals spontane snotapen dat doen. Kledderige geklieder vond onze onbeminde bonenmeid zulke mondelinge minnegloed. Een weinigjes eigenwijs, zonder troostende ondertoets, sprak de contraire ornatrice: Bewaar dat kostelijk likstokje maar voor een sprietige piesgriet!

Na die verdwaalde wreveldaad hervatte de snaterige geitenras-reisagent zijn vaderlandse levensdraad.

Aldus de adoptieve videotape van submarien urbanisme.