My bookshop is my castle

VRAAG BIJ een grote boekhandel naar het boek Van de koele meren des doods van Frederik van Eeden, en men zal u vriendelijk helpen, vragen hoe men Van Eeden spelt en op de computer opzoeken of het boek op de etage met boeken over stervensbegeleiding of op die van waterhuishouding staat. Aan mij zijn de boekenwarenhuizen niet besteed. Toch ben ik ook niet iemand die per se een morsig boekwinkeltje opzoekt met een eigenaar die mijn boekenkast beter kent dan ikzelf en controleert of ik alle boeken die ik aanschaf ook wel lees. Een antiquariaat mag beduimeld, donker en stoffig zijn, maar een boekhandel voor nieuw leesvoer moet frisheid uitstralen. Mijn favoriete boekhandel is een hybride tussen een sociëteit, de openbare leeszaal, een buurtwinkel en een internationaal informatiecentrum.

De eerste boekwinkel waar ik kwam stond naast de kerk in mijn geboortedorp. Ze verkochten er geen boeken, alleen catechismussen en kerkboeken. Verder waren er penhouders en kroontjespennen (2 voor 1 cent als ik het me goed herinner), potloden, dozen Caran d'ache kleurpotlodendozen, inktpotten, schriften, kladblokken en dergelijke. Wij kwamen er alleen om de catechismus en pennen te kopen.

De tweede boekwinkel die ik bezocht lag in Roermond, in de buurt van mijn middelbare school. Boekhandel Willems had aan de straatzijde van de winkel, bij de open inkijketalage, catechismussen, streekromans en boeken van Marie Koenen en Bertus Aafjes staan, zodat de passerende pastoors en paters zich niet zouden ergeren. Maar achterin de winkel stonden de literaire reuzenpockets van De Bezige Bij en boeken van Meulenhoff, en verse literatuur uit Duitsland. Daar kochten mijn broer en ik boeken van Wolkers, Claus en Mulisch, en van Peter Weiss, die toen net bekend werd. Er was een keurige oude boekverkoper in pak, die opveerde als hij de schooljeugd binnen zag komen, meeliep naar het achterstuk en ons daar wees op wat net binnengekomen was. Ik herinner me de sensatie die we ondergingen toen we de eerste Wolkers daar vandaan haalden, Serpentina's petticoat.

Daarna ging ik naar Amsterdam. De Universiteit stuurde ons naar het Huis aan de Drie Grachten voor studieboeken. Het is een van de mooiste huizen in de oude binnenstad, maar ik voelde er me als een pocket tussen gebonden boeken ik hoorde niet in dat clubhuis voor geleerden. De bejaarde eigenaar droeg een pak in hetzelfde morsige bruin als dat van de lambrisering en de boekenplanken.

Ik was nog maar net in Amsterdam of Athenaeum werd opgericht. Ik weet niet meer welk boek ik er het eerst kocht, maar ik weet wel de opwinding die wij studenten hadden toen die zaak openging, met dat heldere interieur en die openheid in zoveel geborgenheid. Licht: dat was het voornaamste verschil met de oude boekenwinkels. Athenaeum vangt van drie kanten licht. Alles sprak ons toen aan: het assortiment, de inrichting, het publiek. Je werd bij Athenaeum niet bediend, je raadpleegde er mensen die heel veel van boeken wisten. Dat kon de directeur of de jongste bediende zijn, dat maakte helemaal niet uit. Dat is steeds zo gebleven.

Zeker speelt de ligging een belangrijke rol bij de aantrekkelijkheid van Athenaeum. Wie een beetje gevoel voor onderaards gemurmel heeft, weet dat Athenaeum eigenlijk ook aan drie grachten ligt. Voor het gebouw lag tot in de negentiende eeuw het Spui, een breed stuk water vanaf Hoppe strekkend tot de Lutherse kerk, en doorlopend tot de Kalverstraat, vooraan vrij breed, achteraan wat smaller, als je op oude kaarten kijkt lijkt de vorm een beetje op die van een urinaal. Door de Spuistraat en de Nieuwezijdsvoorburgwal liepen brede grachten. Het weeshuis, het tegenwoordig Amsterdams Historisch Museum en de oude panden van het Begijnhof stonden met hun voetjes in het water. Op de een of andere manier lijkt dat water zich nog te spiegelen in de ruiten van Athenaeum. Ofschoon je er geen kopje koffie krijgt, geen cd's kunt kopen en geen tuinboeken, kom je er altijd vrolijker vandaan dan je erin gegaan bent. Dat gevoel zal iedereen die een favoriete boekwinkel heeft wel herkennen.

Nu was de boekhandel niet altijd zo'n inloopcentrum als die nu is. Wanneer men in oude adresboeken van de boekhandel kijkt, krijgt men een vermoeden dat er veel boekwinkels waren waar de nering het belangrijkste was, en het product boek gewoon hetzelfde was als de andere artikelen die er ook verkocht werden. Wat dat betreft ziet men de gekste combinaties. Dat een boekhandel met een tabakshandel werd gecombineerd ligt nog wel voor de hand en men kan zich heel wat sigarenrokers voorstellen die gediend waren met een winkel waar ze al rokend een boek konden aanschaffen met een bijpassende sigaar. Dat geldt al minder voor een boekhandel annex melkinrichting. Helemaal vreemd, hoewel consequent, is de combinatie van een boekwinkel met doodskistenverkoop. Meestal was een boekwinkel echter een bijproduct van een uitgeverij. Men kon er de vers bedrukte vellen die hingen te drogen bij wijze van spreken aanwijzen om ze mee naar huis te nemen. Verser kon een boek nooit zijn dan in een winkel waaraan een drukkerij en uitgeverij verbonden was. Niet dat die versheid iets uitmaakte. Behalve dan in de tijd dat er politieke conflicten waren en snelle verspreiding van een pamflet noodzakelijk was. Hoe sneller een verboden drukwerk verspreid kon worden, hoe geringer de kans was dat de schrijver of drukker opgepakt kon worden.

In 1781 is er een huzarenstaaltje geleverd in tientallen drukkerijen verspreid over Nederland. Zij drukten tegelijk in verschillende steden het pamflet Aan het volk van Nederland, waarin opgeroepen werd tot een patriotse revolutie. Johan Derk van der Capellen tot den Pol was er de auteur van, die opriep tot opstand tegen het autoritaire bewind van de stadhouder. De pamfletten werden in de nacht van 26 september verspreid over Nederland. Dat was alleen maar mogelijk doordat er overal boekwinkels waren waar zich het intellectuele leven van een stad concentreerde. In de achttiende eeuw waren dat meestal centra van verlicht politiek denken. Voor een deel waren die opgericht door buitenlandse verlichtingsrevolutionairen die naar Nederland gevlucht waren. In Den Haag zat bijvoorbeeld de belangrijke uitgever Thomas Johnson, een Engelsman, die zoals zovelen in die tijd naar Nederland was gekomen, en zich specialiseerde in de uitgave van Franse en Engelse boeken. Hij gaf Justus van Effens eerste tijdschrift uit, Le misantrope, geschreven in de wereldtaal van die tijd.

De achttiende eeuw is in Nederland de tijd van de allochtone intellectuele vluchtelingen die zich vrij snel als boekhandelaars, uitgevers of journalisten een plaats wisten te verwerven. Het is een verschijnsel dat maar gedeeltelijk te vergelijken is met de allochtone middenstander van nu, die vooral gespecialiseerd is in eten uit zijn land van herkomst.

De boekhandelaar uit de negentiende eeuw is deftiger dan die uit de achttiende. Hij hoort bij de eliteburgerij van zijn tijd. Hij werkt aan de verbetering van de maatschappij en gelooft in de ideale trits van het burgerschap: vaderland, godsdienst, gezin. Boeken kunnen de wereld in de goede richting duwen. `Bouwt scholen, geen gevangenissen', was de kreet.

Een meester in de maatschappelijke bespeling was de Amsterdamse uitgever-boekhandelaar Marten Westerman op de Kalverstraat. Eigenlijk was hij dichter en acteur, maar hij was niet zo'n hele grote dichter en ook niet zo'n hele grote acteur, dus moest hij om zich in leven te houden er een boekwinkel bij aan houden. Die gebruikte hij vooral om zijn vaderlandslievendheid uit te dragen. In de Franse tijd gaf hij het roken op, alleen omdat Napoleon zware accijnzen op de tabak legde. Napoleon gebruikte die om zijn oorlogen mee te bekostigen. Toen Napoleons nederlaag bekendgemaakt werd, stak Westerman een pijp op en schreef een juichend overwinningsgedicht, dat hij ter plekke drukte en verkocht. Hij vond dat het volk Vondel moest lezen en gaf het verzameld werk uit voor een Kruidvatprijs. Later kreeg hij liefhebberij in exotische dieren. De mensen moesten andere werelden en hun andere fauna en flora leren kennen. Dus verkocht hij niet alleen boeken over tropische diersoorten, in zijn winkel krijsten tussen de boeken ook echte papegaaien en apen. Zijn hele netwerk van boekkopers zette hij in om Artis van de grond te krijgen. Als ik toen geleefd had, denk ik dat Westerman mijn favoriete boekhandel geweest was. Ik zou dan een aap gevraagd hebben het geïllustreerde boek over aapsoorten dat ik net aangeschaft had te signeren. Dat is nog eens wat anders dan een signeersessie bij Athenaeum.