Maretakmare

EEN RAADSEL of toch geen raadsel? Alleen wie er een beetje kijk op heeft zal zich afvragen waar marktkooplui die nu zo gul mistletoe aanvoeren hun mistletoe vandaan halen. Want mistletoe is (1) nauwelijks te kweken, en komt (2) praktisch niet in Nederland voor.

`Mistletoe' is wat wij volgens de flora van Heukels-Van der Meijden maretak of vogellijm moeten noemen. Of mistel als het per se op z'n Fries moet. Of wetenschappelijk: Viscum album. Maretak is een zogenoemde halfparasiet die groeit op de stammen van appelbomen, linden, populieren, meidoorns en nog heel veel andere bomen, maar naar verhouding heel weinig op eiken en lijsterbes. Wat al gelijk het eerste raadsel is: in Asterix en Obelix moet de maretak uitgerekend met een gouden snoeimes van een eik worden gehaald. Vandaag slaan we de druïden en oeroude Germaanse gebruiken over.

Anders dan een hele parasiet is een halfparasiet, als het een plant is, gewoon groen zoals andere planten en dus ook in staat tot fotosynthese en wat daar bij hoort. Alleen voor zijn water en mineralenvoorziening heeft hij aansluiting gezocht op de houtvaten van een waardplant: appels, populieren, enz. Maretak is een altijd groene plant, een plant dus die in de herfst niet zijn bladeren laat vallen. Daardoor zijn de bolbormige maretak-kluwens juist nu heel makkelijk te vinden. Juist nu valt te bevestigen dat maretak in Nederland praktisch niet voorkomt. Alleen, maar dan ook gelijk overvloedig, in Zuid-Limburg.

Waarom is dat, daar gaat het om. Waarom alleen Limburg en waarom niet boven de grote rivieren. Wat is het dat de maretak daar niet bevalt?

Internet kan daarop het antwoord niet geven. De bulk van de mistletoe-literatuur daar komt van kruidenvrouwtjes, horoscooptrekkers, genezeressen, amateur-volkskundigen en folklorevervalsers. De meer wetenschappelijk georiënteerde literatuur concentreert zich op de krachtige gifstoffen die in de witte bessen en/of zaden worden aangelegd. Aan lage doses van die giffen wordt allerlei geneeskrachtige werking toegeschreven.

Na toevoeging van het trefwoord `distribution' selecteert Google toch nuttige artikelen. Een heel informatief stuk is dat van Jonathan Briggs in Biologist (2003) 50(6), de pagina's 249-254. Hij beschrijft de situatie in Zuid-Engeland, geeft heel gedetailleerde verspreidingskaartjes (voor 1970 en 1990) maar moet toegeven niet te begrijpen waarom maretak op sommige plaatsen wel en op andere weer helemaal niet voorkomt. Terwijl aan waardbomen geen gebrek is.

De AW-onderzoeker vraagt zich natuurlijk het eerst af of er mogelijk iets schort aan de verspreidingskansen voor pollen (stuifmeel) of zaad. Maar uit die hoek schijnt de oplossing niet te kunnen komen. Maretak bloeit weliswaar al in februari, en met onaanzienlijke bloemen zoals dat heet, maar het stuifmeel wordt toch vooral verspreid door insecten: door vliegjes die afkomen op geur en nectar. Dat die vliegen stukjes Engeland of Nederland weigeren te bezoeken is niet waarschijnlijk.

De verspreiding van de zaden dan? Die blijkt, om het zo eens te zeggen, in handen van vogels te zijn. Wat Jonathan Briggs daarover bericht wordt schitterend aangevuld en bevestigd door Barbara en David Snow in hun boek `Birds and berries' (T.& A.D. Poyser, 1988). In Europa treden twee `vectoren' voor maretakzaden op de voorgrond: de grote lijster (Turdus viscivorous) en de `zwartkop', die wij vroeger `zwartkoptuinfluiter' moesten noemen (Sylvia atricapilla). In de Latijnse naam van de grote lijster wordt al naar de maretak verwezen. Ook in het Engels heet hij niet voor niets `mistle thrush'.

Het aardige is dat de twee voorbeeldvogels (want ook andere vogels eten wel maretakbessen als ze door de agressieve lijsters worden toegelaten) twee verschillende manieren van verspreiding vertegenwoordigen. De zwartkoppen eten van de bessen alleen het vruchtvlees en laten altijd het zaad achter. Maar dat zaad kleeft als de hel, zoals de mistletoe-koper ook zelf eenvoudig vaststelt. Na verorbering van het vruchtvlees kleeft de zaadkorrel aan het snaveltje van de zwartkop. Omdat die korrel, inclusief het aanhangende vruchtvlees, behoorlijk groot is zal hij zijn snavel meestal nog in de voedselboom zelf afvegen.

De grote lijster werkt de bes met zaad en al naar binnen, de verspreiding van de zaden vindt dus plaats via de uitwerpselen. De darmpassage blijkt de kleefkracht van de `vogellijm' niet erg aan te tasten, want vaak ziet men een samenklevend lineair pakket van maretakzaden uitgepoept worden. Zo te zien is de kans wat groter dat de lijster de maretakzaden ook eens naar bomen brengt waarin nog geen maretak groeit.

Of darmpassage juist wel of juist niet gunstig is voor het kiemen van de zaden viel niet te achterhalen. Er komen sowieso niet veel zaden tot kieming en contact met de houtvaten, anders zouden kwekers wel flinke maretakplantages aanleggen. De Engelse marktkooplui halen hun mistletoe vooral uit Frankrijk, noteert Jonathan Briggs. De lui op de Amsterdamse Singel doen dat ook, zeggen ze. Noord-Frankrijk, om precies te zijn. Oude appelboomgaarden.

Toch geeft Briggs gedetailleerde aanwijzing voor het doorkweken van maretak. Het is mogelijk de mistletoe-bessen van kerstmis over te houden, maar dan moeten ze voor gebruik even wellen in water. Het beste zijn verse bessen en de juiste `zaaitijd' is februari-maart. Kies appelbomen, populieren of linden als ondergrond en lijm de zaden er met hun eigen vogellijm stevig op vast. Bij tientallen tegelijk, als het kan, want de trefkans is maar klein.

Langs deze weg moet tezijnertijd te verifiëren zijn of het waar is wat Ruud van der Meijden (van de genoemde flora) deze week als verklaring gaf voor het grillige voorkomen van maretak. Maretak komt alleen voor in gebieden waar voldoende kalk in de grond zit. Dus Zuid-Limburg en de kalkrijke duinen van Oostvoorne, waar Van der Meijden toevallig zelf woont. Van der Meijden twijfelt niet: ``Als ik in Frankrijk op zoek ga naar kalkminnende planten kijk ik altijd eerst of er wel maretak in de bomen zit.''

We zullen zien.