Laconieke houding over China is dooddoener

Het hoofdredactionaal commentaar op de economische tijgersprong van China (`Wie is bang voor China?', 8 december) gaat gebukt onder eenzijdigheid. Weliswaar toont u zich om goede redenen gematigd optimistisch over de vooruitzichten van milieubescherming en arbeidsomstandigheden in China, maar voor ,,het overige'' heeft u geen beter advies dan ,,niet bang zijn''. Dat is niet terecht, want ,,het overige'', dat is nogal wat. Zo is de kans aanwezig dat de Europese Unie op niet al te lange termijn uit economische overwegingen een einde maakt aan het wapenembargo tegen China. Dat zou een belangrijke eerste stap kunnen zijn op weg naar wapenleveranties aan een land dat nog maar vijftien jaar geleden het leger inzette tegen zijn eigen bevolking. Ik gun China van harte de ,,fatsoenlijke levensstandaard'', waarvan u hoopt dat zij het gevolg is van de handel met Europa, maar tegelijkertijd ben ik bijzonder nieuwsgierig naar de mening hierover van de 23 miljoen inwoners van Taiwan. Zouden zij mogelijke, door Europa aan China geleverde raketten ook beschouwen als bijdrage aan een ,,fatsoenlijke levensstandaard''?

Onvermeld bleef ook de aanhoudende schending van de mensenrechten en het gebrek aan democratie in China. Natuurlijk heb ook ik goede hoop dat op dit terrein vooruitgang zal optreden dankzij de economische groei, maar voorlopig is het nog niet zover.

Aangezien deze kwesties onlosmakelijk zijn verbonden met de opkomst van China als economische grootmacht, verdienen zij een plek in uw commentaar. Ze afdoen met de dooddoener ,,niet bang zijn'', maakt een laconieke indruk.