De terreurarchitect van `Bali' spreekt

De ter dood veroordeelde imam Samudra belicht in een boek zijn motieven voor de aanslag in Bali in oktober 2002. De onschuldige slachtoffers kwamen uit met Amerika bevrienden landen en waren dus vijanden.

Op 14 januari wordt hij 35, maar hij heeft zijn levenswerk al af. Hij is het brein achter de bomaanslagen die op 12 oktober 2002 op het eiland Bali 202 mensen de dood injoegen. Zijn ouders noemden hem Abdul Aziz, maar hij werd bekend onder zijn nom de guerre: imam Samudra (imam van de oceaan). Voor zijn aandeel in de aanslagen op Bali hoorde hij vorig jaar het doodvonnis tegen zich uitspreken. Hij reageerde daarop met een luidkeels `God is groot!'

In Indonesië kunnen jaren verstrijken tussen uitspraak en executie. Aziz schreef in de cel een boek waarin hij de motieven voor zijn daad uiteenzet. De titel luidt Aku Melawan Teroris (Ik vecht tegen terroristen), het telt 280 pagina's en verscheen onlangs bij de uitgeverij Jazêra, in Solo, Midden-Java. Het voorwoord is geschreven door een lid van het Team Moslimadvocaten (TPM) dat Aziz verdedigde. De censuur in Indonesië is afgeschaft en de verschijning van het boek is geen strobreed in de weg gelegd.

Imam Samudra schrijft toegankelijk, maar zijn betoog is tenenkrommend rechtlijnig, ergerlijk moralistisch en tegelijk schaamteloos immoreel. Wie de laatste pagina haalt, is voorgehouden dat de Verenigde Staten en hun, al of niet joodse, bondgenoten maar één doel hebben: vernietiging van de islam; dat toeristen op Bali goddeloze hoerenlopers zijn; en dat het doden van ongelovige vrouwen en kinderen geoorloofd is, omdat de VS c.s. `een duizendvoudig aantal' moslimmoeders en zuigelingen hebben omgebracht in Palestina en Afghanistan.

De wereld volgens imam Samudra zit verbluffend eenvoudig in elkaar. Er zijn drie categorieën wereldburgers: ongelovigen (te onderscheiden in `zionisten', `kruisvaarders' en `polytheïsten'), halfhartige moslims en Ware Gelovigen. Volgens Aziz is de laatste categorie niet erg talrijk. Die bestaat uit jihadisten, moslims die met geweld ongelovigen bestrijden. De auteur rekent zichzelf tot deze Gideonsbende en meent dat die het alleenrecht heeft op het paradijs. Voor de vele wankelmoedige geloofsgenoten is er nog hoop, en om hen te winnen voor De Zaak schreef hij dit boek.

Abdul Aziz doorliep de openbare lagere en middelbare school in zijn geboortestad Serang, West-Java. Buiten schooltijd kreeg hij godsdienstles in een madrasah (koranschool). Hij noemt het seculiere onderwijs ,,een bulldozer die het geloofsonderricht opzijschuift''. Klasgenoten sloegen het middaggebed over, hij niet. Als twaalfjarige ontdekte hij tijdens een cursus in de vastenmaand ,,het onderscheid tussen de ware islam, verkapte veelgoderij en ketterij''.

Abdul was behalve in koranstudie ook goed in wiskunde, haalde prijzen en werd it-expert. Hij vertrok in 1990 naar Maleisië, om zich aan te sluiten bij de mujahedeen (moslimstrijders) in Afghanistan. Zijn lidmaatschap van het regionale terreurnetwerk Jema'ah Islamiyah staat vast, maar daar zegt hij niets over in zijn boek. Met Kerstmis 2000 coördineerde hij een serie aanslagen op Indonesische kerken. Hij koos persoonlijk het uitgaanscentrum van de Balinese badplaats Kuta als doelwit voor de grootste terreuraanslag uit de geschiedenis van Indonesië.

Imam Samudra ontleent de `ware leer' en de normen voor voorbeeldig gedrag aan de tijd waarin Mohammed optrad, en de eerste drie eeuwen daarna, dat wil zeggen de vroege Middeleeuwen. Hij behoort tot de op het Arabische schiereiland geboren stroming der salafi (voorgangers). Zij beschouwen religieuze hervormers die de islam bezien in het licht van de tijd, als ketters en willen terug naar de bronnen: de koran (openbaring aan Mohammed) en de hadith (overlevering over het optreden van de profeet). Aziz projecteert de normen van deze gewelddadige tijd, toen de jonge geloofsgemeenschap moest vechten met tegenstanders en haar boodschap gewapenderhand over het Midden-Oosten verbreidde, op de 21ste eeuw. De gevolgtrekkingen zijn navenant.

Aziz noemt het trainingskamp bij Khost, Afghanistan, zijn `campus'. Hij schreef er gedichten voor zijn geliefde in Serang: ,,Kogels fluiten, kruitdamp stijgt op/Sneeuw bedekt de bergen/Ik denk aan haar/Maar als U mijn tijd gekomen acht/Ben ik klaar.'' Sinds dat `veldwerk' neemt hij alleen nog schriftgeleerden serieus die zelf de wapens hebben opgenomen, want zij ,,vrezen de dood niet en zijn daarom dichter bij God''. In het rijtje militante voorgangers noemt hij `sjeik' Osama bin Laden. Deze gewezen Saoedische tycoon is door een andere Indonesische radicaal, Ja'far Umar Thalib, ooit omschreven als ,,een dandy die weinig van het geloof weet''.

Aziz' credo is doordrenkt van ressentiment. ,,De wereld van de islam'', schrijft hij, ,,moet het al veel te lang afleggen tegen joden en christenen. De moslimvolkeren zijn te lang gehersenspoeld door de leugens en laster van Dracula bin Monster Amerika.'' Het motief dat hij aanvoert voor de vermeende islamhaat van de VS, is `afgunst'.

De hoofdstroom van de Indonesische moslims veroordeelt terreur als haram, verboden volgens de islam. Aziz vindt dat `stompzinnig'. Deze moslimbroeders zouden een te zoetsappig beeld hebben van de profeet. Ahklaqul karima (edelmoedige, milddadige houding) - een eigenschap die aan Mohammed wordt toegeschreven - zouden de meeste moslims ten onrechte uitleggen als verdraagzaamheid jegens ongelovigen. ,,De Gezant Gods'', aldus Aziz, ,,was niet alleen verkondiger, hij was ook aanvoerder in de oorlog.'' Hij betreurt het dat ,,de meerderheid der gelovigen kiest voor bidah (ketterse nieuwlichterij)''. De al even radicale Thalib, oprichter van de Laskar Jihad, een legertje Indonesische randgroepjongeren dat vocht tegen christenen in de Molukken, noemt imam Samudra c.s. ,,dwalers die geloofsgenoten wegzetten als ongelovigen''.

Aziz werpt zelf de meest prangende vragen op: waarom liet hij die twee bommen plaatsen in Kuta? Dat is een militair noch een Amerikaans doelwit. Verbiedt de koran niet het doden van onschuldige burgers en geloofsgenoten? Zijn antwoorden zijn rationalisaties met een opklimmende graad van absurditeit. Hij werd gezocht en zou geen visum krijgen voor een land van ongelovigen. Dat er ook moslims stierven in de vuurzee, was ,,geen opzet, maar een fout en niet-opzettelijke fouten zijn geen zonde''.

Dat de meeste gasten in de twee nachtclubs geen Amerikaan waren, noemt Aziz onbelangrijk; zij kwamen uit met de VS bevriende landen en waren dus vijanden. Dat de slachtoffers onschuldige burgers waren, bestrijdt hij. ,,De landen in kwestie kennen de dienstplicht en daar vervaagt het onderscheid tussen burgers en militairen. Hun regeringen hadden negatieve reisadviezen gegeven voor Indonesië, en wie zo'n advies in de wind slaat, is een valse burger alias een militair.''

Tot slot bestrijdt Aziz dat zijn `bommen-jihad' louter een wraakneming is voor moslimdoden elders. ,,Solidariteit onder moslims is geboden, maar jihad is en blijft een geloofsplicht, tot het einde der tijden.''