De schoonheid en de dood

De anatoom Frederick Ruysch genoot wereldwijd faam vanwege zijn methode van levensecht prepareren en de kunstzinnige wijze waarop hij zijn collectie vorm gaf. Zijn devies: geloof alleen je eigen ogen.

TOEN KROONPRINS Willem Alexander september 2003 – zonder Máxima – het driehonderdjarige Sint Petersburg bezocht, stond op het programma ook een bezoek aan de anatomische collectie van de Kunstkamera. Die omvat in hoofdzaak preparaten van de Nederlandse anatoom Frederick Ruysch (1638-1731). Maar op het laatste moment werd het bezoek afgelast. Bij nader inzien vond men het weinig kies de prins enkele maanden voor de geboorte van dochter Amalia te confronteren met afstotelijke foetussen op sterk water. Een pijnlijke blunder was net op tijd voorkomen.

``Ruysch zou zich hebben omgedraaid in zijn graf'', zegt de Utrechtse historicus Luuc Kooijmans. ``Zijn gave was juist dat hij de anatomie voor een breed publiek acceptabel wist te maken. Tot ver in de negentiende eeuw was Ruysch in binnen- en buitenland beroemd om de schoonheid van zijn preparaten. Dat waren geen gedrochten maar gave, zeer herkenbare voorstellingen. Ze riepen geen schrik of walging op, maar bewondering en vertedering. Toen tsaar Peter de Grote de collectie in het Amsterdamse woonhuis van Ruysch bezocht, knielde hij bij een gebalsemd kind neer om het te kussen: het leek net of het sliep. Naderhand zou hij Ruysch' complete collectie opkopen en naar Sint Petersburg verslepen.''

prettige ingang

Kooijmans (1956), die vorige maand de oeuvreprijs voor de geesteswetenschappen van het Prins Bernhard Cultuurfonds kreeg, schreef in opdracht van het Amsterdams Medisch Centrum een beeldende, schitterend geïllustreerde biografie van Ruysch: De doodskunstenaar. Eerder oogstte Kooijmans – die als zelfstandig historicus van project naar project hopt, de stilte van het archief zoekt en blij is verlost te zijn van academische vergaderwoede – lof met studies naar vriendschap en familie in de 17de en 18de eeuw en het getormenteerde leven van de Friese stadhouder Willem Frederik. ``Ik vind de biografie een prettige ingang bij historisch onderzoek'', zegt Kooijmans. ``Het biedt een ander perspectief. Geconfronteerd met het bizarre werk van Ruysch dringen zich vele vragen op. Waarom maakte hij dat werk? Wat bewoog hem? Hoe stond hij in zijn tijd? Dan kom je vanzelf op interessante onderzoekspaden. Ik heb Ruysch benaderd vanuit zijn omgeving. En leven en werk vallen bij hem zo goed als samen.''

Frederick Ruysch stamde uit een Haagse familie van juristen en ambtenaren. Hij koos voor het apothekersvak in een tijd dat Galenus (129-199 na Chr.) met zijn vier lichaamsvochten (bloed, slijm, gele gal en zwarte gal; in een gezond lijf waren die sappen in evenwicht) op het gebied van de anatomie nog altijd de belangrijkste autoriteit was. Maar nieuw empirisch onderzoek bracht steeds meer feiten aan het licht die niet strookten met de leer van Galenus. Ontledingen van menselijke lijken speelden daarbij een cruciale rol. In 1543 had Vesalius (afkomstig uit Wesel) met de publicatie van zijn anatomische atlas al voor grote opschudding gezorgd en de ontdekking van de bloedsomloop, in 1628 door de Engelse arts William Harvey, betekende een nieuwe zware slag voor Galenus.

Voor jongeren als Frederick Ruysch waren Vesalius en Harvey helden die het lef hadden hun ogen de kost te geven in plaats van voetstoots de klassieken na te volgen. Ruysch proefde van de nieuwe ideeën in de anatomische theaters van Den Haag en Leiden. Vanaf het voorjaar, als het te warm werd voor ontledingen, functioneerden die als natuurmusea waar naast `rariteiten' ook skeletten van ontlede delinquenten stonden uitgestald.

Rond zijn twintigste begon Ruysch met eigen anatomisch onderzoek naar de mens. Als eenvoudige apothekersleerling kon hij alleen langs slinkse wegen aan materiaal komen. In navolging van Vesalius troonde hij 's nachts doodgravers mee om graven voor hem te openen. Bij een vers graf beperkte hij zich tot nauwgezette studie van het lijk – zo stelde hij vast dat nagels en haren niet doorgroeiden na de dood en dat vet in lijken een soort harde witte smeer werd. Uit oude graven griste Ruysch beenderen die hij thuis, na een behandeling van weken, koken en langdurig drogen in de zon, samenvoegde tot skeletten. Ook experimenteerde hij met organen – noodgedwongen van dieren. Vivisectie op honden was heel gewoon (de kunst was de dieren gedurende het anatomisch onderzoek enkele uren in leven te houden) maar het kwam ook voor dat Ruysch ze eerst wurgde: dan lagen ze tenminste stil.

snijvlak

Intussen vestigde hij zich als zelfstandig apotheker en trouwde in 1661 met Maria Post, dochter van een beroemd architect. Voortaan bewoog Ruysch zich op het snijvlak van wetenschap en kunst. Dochter Rachel ontwikkelde zich tot een begenadigd schilderes van stillevens waarvoor pa attributen leverde.

Het fundamentele probleem binnen de anatomie was dat een lijk snel verging en dat vaten na de dood leegliepen en onzichtbaar werden. Ruysch experimenteerde met het conserveren van organen in een geschikte alcoholhoudende vloeistof, en ook met het opspuiten van vaten met een wasachtige stof die tot in de fijnste vaatjes doordrong – de benodigde pijpjes kwamen van de Leidse instrumentmaker Van Musschenbroek. Zo wist hij aan te tonen dat de lymfeklieren kleppen bevatten. Kooijmans: ``Ruysch trok nu en dan interessante conclusies uit wat hij zag, maar zijn kracht lag in zijn praktische vaardigheden. Zijn technisch kunnen was zijn trots, daarmee is hij groot geworden, daarvoor zocht hij erkenning.''

In 1666 werd Ruysch aangesteld als praelector (voorlezer) van de Amsterdamse chirurgijns. Het initiatief hiertoe ging uit van de magistraat Claas Pietersz Tulp (dat jaar aan de beurt als burgemeester), een warm pleitbezorger van reorganisatie en modernisering van de medische zorg in de stad. Een onverdeeld genoegen zou het werk in Amsterdam niet worden: het chirurgijnsgilde was een beruchte slangenkuil. Tulp, ooit zelf praelector, raadde Ruysch aan `geen groote gemeenschap met de overluijden te houden, alsoo sij een partij dronke flickebroers waren'. Kooijmans: ``De vetes waren inherent aan de structuur van de toenmalige medische wereld. Het hoogst in de hiërarchie stonden de doctores medicinae, academisch geschoolde artsen. Zij stelden de diagnoses, maar praktische scholing hadden ze niet. Achtten ze een ingreep nodig, dan schakelden ze chirurgijns in, heelkundigen die bij `meesters' in de leer waren geweest en als kleine middenstanders opereerden. Sociaal was er een kloof tussen die twee groepen. In de loop van de zeventiende eeuw is dat alles gaan schuiven, met alle fricties van dien. Ruysch zat daar middenin. Hij is om zijn moderne aanpak veelvuldig belasterd. Maar waar tegenstanders zich op oude geschriften beriepen zei hij: `kom maar kijken en als je meent dat het niet klopt, leg maar uit waarom'.''

In Amsterdam combineerde Ruysch diverse functies. Als praelector en hoogleraar anatomie kreeg hij 750 gulden per jaar, als gerechtsarts 150 gulden en als hoogleraar botanie nog eens 400 gulden. Verder genoot hij inkomsten als stadsvroedmeester (gecompliceerde bevallingen) en als docent van vroedvrouwen. Voor examens werd hij apart betaald, hij verdiende als arts aan consultaties en visites, gaf privé-lessen, hief entreegelden voor zijn anatomisch museum en verdiende aan de handel in `rariteiten'. Kooijmans: ``Bij elkaar tweeduizend gulden, schat ik, en waarschijnlijk was het meer. Dat geld stak hij in anatomisch onderzoek – een bezigheid voor de vroege morgen en de avonduren. Alleen al aan alcohol ging er jaarlijks tweehonderd gulden doorheen. Bovendien had Ruysch een groot gezin. Voordeel van al die functies was dat hij over anatomisch materiaal geen klagen had. Terechtgestelde misdadigers, ongewenste baby's die in het water waren geworpen, miskramen, vrouwen die in het kraambed stierven, slachtoffers van ongelukken of doden uit het gasthuis – mits zonder familie of bekenden: ze belandden op de snijtafel van Frederick Ruysch. Het is voorgekomen dat hij een dief kort voor zijn executie opzocht en naar zijn kwalen vroeg, om er bij de openbare lessen over zijn lijk zijn voordeel mee te doen.''

In zijn huis aan de Bloemgracht, niet ver van de Westertoren, stelde Ruysch zijn anatomische verzameling in 1689 open voor het publiek. Inmiddels had hij zijn techniek van wasinjecties zo verfijnd dat ook de kleinste vaatjes zichtbaar werden – en hij de anatomische atlas van concurrent en imitator Govert Bidloo op de ene na de andere fout kon betrappen. Ook wist Ruysch babyhoofdjes en complete kinderlijfjes zo te prepareren dat ze hun natuurlijke kleur behielden. De collectie vulde tien grote kasten. De nadruk lag op het handwerk: er zaten skeletten bij van foetussen en pasgeborenen, en veel gebalsemde preparaten, bij elkaar 350 objecten. Wie het museum betrad kwam in een tombe met geraamtes, waaronder een schedel van een pasgeborene voorzien van de spreuk: `geen hooft hoe sterk het is, zal de wreede dood ontvlieden' (naar Horatius). Dergelijke `memento mori' pasten in een traditie van moralistische waarschuwingen voor de vergankelijkheid van het leven.

Nieuw was de aantrekkelijke vormgeving van de collectie. Het gebalsemde lijkje van een onvoldragen kind uit een zwangerschap van zeven maanden hield een bosje bloemen in zijn hand en zijn hoofdje droeg een bloemenkroon. Andere kinderlichamen hadden kanten kraagjes, manchetten en armbanden. Die illusie van leven leidde ertoe dat de aanblik van lichaamsdelen geen afschuw of huiver opriep, maar eerbied en verbazing.

penis

Behalve die pronkstukken waren er kasten vol geprepareerde organen – het hart van de collectie. Uitgestald waren planken vol vaten, genitaliën, (een penis waar Ruysch erg trots op was werd gestolen), baarmoeders, placenta's, darmen, magen, milten, levers, blazen, nieren, hersenen, longen en harten. Alles al dan niet opengesneden. Verder veel beenderen, gal-, blaas- en nierstenen en een lintworm op sterk water. Beschrijvingen en toelichtingen stonden in een catalogus. De weinige afwijkingen in de collectie toonde Ruysch alleen op verzoek. Daartoe behoorde een babygeraamte met te veel vingers, de gespleten schedel van een moordenaar die bij zijn onthoofding verkeerd was geraakt en een vliesdunne schedel van een `beroemde hoer' die aan syfilis leed. Kooijmans: ``Critici die al die opschik een belachelijke vertoning vonden antwoordde Ruysch: `En die dure begrafenissen dan, van doden waar de wormen al in zitten te smullen?'''

Twintig jaar nadat Peter de Grote voor Ruysch' anatomische collectie was gevallen, kocht hij hem voor dertigduizend gulden. Een onzinnig maar koppig verhaal zegt dat de collectie gehavend in Sint Petersburg arriveerde omdat de matrozen van de alcohol zouden hebben gedronken. Van de 2000 toen verscheepte preparaten resteren er nu nog 900. De nieuwe collectie die Ruysch onmiddellijk na de transactie begon aan te leggen werd na zijn dood naar Polen verkocht, belandde in Wittenberg en raakte zoek. December 1723 had Ruysch, 85 jaar oud, zijn laatste lijk op de demonstratietafel. Hij stierf op 22 februari 1731 in zijn huis aan de Bloemgracht. Tien jaar eerder waren in een discussie met zijn vriend Herman Boerhaave de tekortkomingen van zijn injectietechniek aan het licht gekomen: die leidde op microniveau tot vervormingen. Na zijn dood werd Ruysch' aanpak door andere technieken overvleugeld en in de negentiende eeuw raakte de doodskunstenaar in de vergetelheid.

Het geheim van zijn preparatietechniek nam Ruysch mee in zijn graf. Weliswaar was het `recept' onderdeel van de verkoop naar Rusland, maar op grond van die in 1743 opgedoken instructie bleek niemand in staat preparaten te maken die konden tippen aan de kwaliteit die Ruysch afleverde. Kooijmans: ``Gebruikte Ruysch speciale stoffen of gaf zijn technisch kunnen de doorslag? Analyse van preparaten rond 1750 in Parijs heeft die vraag niet weten te beantwoorden. De huidige analysetechnieken hebben ongetwijfeld meer te bieden, maar de Russen hebben geen geld om hun pas gerestaureerde Ruysch-collectie in de Kunstkamera aan zo'n analyse te onderwerpen. En welke curator is bereid zijn kwetsbare preparaten af te staan voor destructief onderzoek dat er eigenlijk niet meer toe doet?''

Luuc Kooijmans. De doodskunstenaar. De anatomische lessen van Frederick Ruysch. Uitg. Bert Bakker, 517 blz., geïll. ISBN 9035126734. Prijs: €25,-

Tot 21 januari loopt in de Amsterdamse universiteitbibliotheek, Singel 425, de tentoonstelling `Geloof alleen je eigen ogen', met o.a. drie pronkstukken uit de Kunstkamera van Sint Peterburg. Openingstijden: 13-17 uur (27 dec. t/m 1 jan. gesloten).