China komt handen te kort

Miljoenen Chinezen trokken van het platteland naar de fabrieken in de stad in de hoop op een beter leven. Nu blijkt dat die droom niet uitkomt. Arbeiders hebben zich zelfs met geweld verzet tegen uitbuiting. De fabrieken bedelen om personeel.

Bij de poort van de Ruifa-schoenenfabriek in de Zuid-Chinese stad Dongguan heeft de leiding een wit vel papier over de advertenties geplakt die de fabrieksarbeiders vertellen waar ze hun geslachtsziekten goed, discreet en goedkoop kunnen laten behandelen. Op dat witte vel staat: ,,We zijn een goedlopende fabriek met genoeg geld, we betalen de lonen op tijd uit, maar omdat we uitbreiden, zoeken we nieuwe arbeiders. We vragen mensen in de leeftijd van 17 tot 38 jaar, flink en hardwerkend, geslacht en opleiding spelen geen rol. We betalen tussen de 500 en de 900 yuan (45 en 82 euro) per maand.''

Mevrouw Li haalt haar neus op voor het aanbod. ,,Ik heb het gehad met het fabriekswerk hier. Ik ga naar huis'', zegt ze kwaad, terwijl ze tussen de rijen fabrieken van textiel, schoenen, ijzerwaren en elektronica heen struint op weg naar de supermarkt aan de hoofdstraat. ,,Ik koop nog wat cadeautjes voor mijn familie thuis, dan stap ik op de bus, en dan ben ik thuis.''

Thuis, dat is een kleine plaats in de Zuid-Chinese provincie Hunan. Daar was de 27-jarige mevrouw Li drie jaar geleden nog gewoon boerin. Ze kwam naar de aangrenzende Zuid-Chinese provincie Guangdong (Kanton) in de hoop op een beter leven. ,,Ik kan best tegen hard werken, als er maar iets tegenover staat. Ik hoopte dat ik hier veel zou kunnen sparen, maar dat is niet zo.''

In de textielfabriek waar ze tot een paar dagen terug werkte, werd ze aardig afgebeuld ,,We maakten vaak dagen van veertien of vijftien uur, zeven dagen per week, maar daarvoor kregen we nauwelijks extra geld. Ik kon niet sparen. Als ik niet oppaste, dan moest ik nog op mijn verblijf hier toeleggen ook.'' Ze verwacht dat ze meer overhoudt met minder hard werken als ze teruggaat naar haar eigen dorp. ,,De graanprijzen zijn hard gestegen, dus het loont nu weer de moeite om graan te verbouwen. Dat ga ik doen'', zegt ze strijdlustig.

Dat mevrouw Li op het platteland meer overhoudt dan in de stad, is nu aannemelijker dan twee jaar geleden. De prijzen van landbouwproducten zijn de laatste anderhalf jaar met 25 procent gestegen. Volgens een recente studie van het Chinese ministerie voor Arbeid zijn de lonen in de delta van de Parelrivier, het zuidelijke deel van de provincie Guangdong, de laatste twaalf jaar daarentegen nauwelijks gestegen. De gemiddelde stijging over die periode bedroeg 68 yuan (nog geen 7 euro), veel minder dan alleen al nodig is om twaalf jaar inflatie te compenseren.

De Ruifa-schoenenfabriek is niet de enige fabriek die bijna bedelt om nieuwe arbeidskrachten. Overal in Dongguan, maar ook in andere industriële centra in de Guangdong, hangen briefjes waarop werk wordt aangeboden. Veel fabrieken hebben zelfs speciaal grote rode spandoeken boven hun poort gehangen om mensen op te roepen zich bij de fabriekspoorten te melden. In Dongguan alleen al bedraagt het tekort aan arbeiders bijna driehonderdduizend mensen.

De delta van de Parelrivier, waar Dongguan ligt, is een van de belangrijke motoren van de Chinese economie. Hier komt ongeveer een derde van de Chinese export vandaan, en daarmee is dit het grootste productiecentrum ter wereld van onder meer schoenen, kleding en magnetrons. Dat is goed te zien: als je door het heuvelachtige gebied rijdt, zie je een eindeloze hoeveelheid fabrieken kriskras tussen rijstvelden, oude boerendorpjes en nieuwe woonwijken staan. Ook het aantal fabrieken in aanbouw is enorm: je ziet meer bamboe als steigermateriaal dan dat het nog als groene bamboe in het veld groeit.

Alleen al in Dongguan, een spiksplinternieuwe stad van ruim 6,5 miljoen mensen, werken zo'n vier miljoen mensen die niet als permanente inwoners van Dongguan staan ingeschreven. Onder hen bijna een miljoen ondernemers uit Hongkong, Taiwan en andere overzeese Chinezen, die met elkaar 15.000 bedrijven leiden die zijn opgebouwd met geld van investeerders van buiten het vasteland van China.

Naast de bedrijven liggen de slaapvertrekken van de arbeiders. Mannen en vrouwen slapen in gescheiden ruimtes, waarbij het heel gewoon is om met acht of meer personen een kleine kamer gevuld met stapelbedden te delen. Hoe dichtbevolkt de verblijven zijn, is goed te zien aan de enorme hoeveelheid wasgoed die er bij zonnig weer op de kleine balkonnetjes te drogen hangt.

De armoedige behuizing van de arbeiders steekt schril af bij die van de succesvolle fabriekseigenaren. Die hebben voor zichzelf kopieën van Franse en Duitse kasteeltjes gebouwd, met op de oprijlaan een Ferrari, een Rolls Royce en voor dagelijks gebruik een Mercedes of BMW. Ze hebben de afgelopen twintig jaar zichtbaar goed verdiend aan China's goedkope arbeid.

Niemand heeft echter voorspeld dat China al zo snel met zulke serieuze arbeidstekorten te maken zou krijgen. Veel analisten gingen ervan uit dat China nog heel lang een lagelonenland zou blijven, omdat het land met zijn bevolking van 800 miljoen boeren een enorme potentiële arbeidsreserve heeft.

Er is eenvoudigweg te weinig land beschikbaar om alle 800 miljoen boeren een behoorlijk bestaan te garanderen. Veel van hen zijn de laatste jaren bovendien hun land kwijtgeraakt door uitbreiding van de steden, door de aanleg van wegen of door herbebossingsprojecten. Er lopen daardoor honderden miljoenen boeren op het platteland rond die daar eigenlijk weinig of niets te doen hebben. De afgelopen jaren trokken degenen die daartoe kans zagen naar de steden, op zoek naar werk.

Niet alle boeren willen ook blijvend migreren. Een deel probeert in de steden zo veel te verdienen dat ze er hun achtergebleven familieleden op het platteland van kunnen onderhouden. Jongeren willen graag genoeg geld verdienen om thuis een huis te bouwen, een zaak te beginnen of te sparen voor een huwelijk.

Toch kampt niet alleen Guangdong met arbeidstekorten. Er is vooral een tekort aan vrouwen tussen de 18 en 25 jaar. Die hebben fabrieken het liefst omdat ze kleine, snelle en lenige vingers hebben en, zeker zo belangrijk in een tijd van toenemende arbeidsonlusten, omdat ze geacht worden gezagsgetrouwer te zijn dan hun mannelijke collega's.

Aan de tekorten liggen structurele problemen ten grondslag. De hoeveelheid banen voor ongeschoolde fabrieksarbeiders is met de economische groei in China sterk toegenomen, en de nieuwe banen zijn vooral geschikt voor jonge schoolverlaters van het platteland.

Maar juist zij zijn de laatste jaren schaarser geworden. Dat is namelijk de generatie die is geboren onder de éénkindspolitiek. De groep twintig- tot dertigjarigen is daarmee enige tientallen miljoenen mensen kleiner dan de groep die nu tussen de dertig en de veertig is.

Boeren zijn er nu ook veel meer dan vroeger van op de hoogte dat het niet zo makkelijk is om in de stad succes te hebben, want veel dorpsgenoten gingen hen al voor. Vorige generaties hebben in sommige migratiestreken bovendien al zoveel geld mee teruggebracht van hun werk in de steden, dat er plaatselijk een dienstensector is ontstaan die ook banen biedt aan de jongeren in de dorpen.

Verder lijkt er sprake van een zekere emancipatie van de arbeiders. Terwijl die vroeger alles accepteerden wat werkgevers eisten, zijn ze nu eerder geneigd om hun biezen te pakken om naar een andere fabriek te trekken. Ze pikken niet meer alles. In april van dit jaar kwam het in de Stella-schoenenfabrieken in Dongguan eerst tot stakingen en daarna tot hevige rellen. Stella, een Taiwanese fabriek met 42.000 werknemers, kreeg te maken met woedende arbeiders die een kantine en een computerruimte in elkaar sloegen en de auto van de eigenaar op zijn kop zetten. Ook raakte één van Stella's managers zwaargewond.

De fabriek had meer dan voldoende orders, en iedereen verwachtte dat de baas de werknemers zou belonen voor het extra werk dat zij verrichtten om de orders ook op tijd te kunnen leveren. In de Chinese arbeidsverhoudingen worden afspraken daarover zelden vastgelegd. Regelingen over overwerk bestaan misschien op papier, in de praktijk houdt vrijwel niemand zich daaraan.

Toen de beloning uiteindelijk tegenviel, waren de arbeiders niet meer te houden. De bewakers van de fabriek, net als de arbeiders meestal jonge mensen van het platteland, sloegen ze samen met de politie weer in het gareel. Acht arbeiders zitten nog vast in afwachting van een uitspraak van de rechter.

Hun advocaat, de uit Peking afkomstige Gao Zhishen, voerde een prikkelende verdediging. Niet de arbeiders, maar de hebberigheid van de werkgever heeft geleid tot de rellen, zo stelde hij. Daarbij staat de communistische partij schouder aan schouder met de kapitalisten, vindt Gao.

Daarmee heeft hij een punt. In China zijn onafhankelijke vakbonden verboden. Er is geen vrije pers en de overheid verbiedt plaatselijke kranten om over arbeidsonlusten te berichten. Maar het gaat nog verder: veel plaatselijke overheidsinstellingen hebben aandelen in bedrijven in Dongguan, en zijn daarmee betrokken bij arbeidsconflicten. Gao noemt het ontbreken van het recht van de arbeiders om hun grieven te uiten de ware oorzaak van de rellen.

China heeft op papier prachtige wetgeving op het gebied van arbeidsrecht, maar iedereen in Dongguan weet dat die wetgeving eenvoudigweg niet nageleefd kan worden als de fabrieken net zo goedkoop willen blijven leveren als ze tot nu toe gedaan hebben.

De in naam nog steeds communistische overheid heeft ook liever niet dat de rechten van de arbeiders onder druk van buitenlandse organisaties beter beschermd worden. Buitenlandse opdrachtgevers vragen, zelf onder druk gezet door westerse consumentenorganisaties, met enige regelmaat aan Chinese bedrijven of zij zich willen houden aan de zogeheten SA 8000-normen, normen die moeten voorkomen dat goederen onder `sweatshop'-achtige omstandigheden worden gefabriceerd. Niet alleen wil de Chinese overheid daar geen verdragen over tekenen, de overheid raadt individuele Chinese bedrijven ook af om deze zaken met hun buitenlandse opdrachtgevers te bespreken. Dat zou de sterke concurrentiepositie van China maar onnodig in gevaar brengen, zo meldde onderzoeker Ma Yu van het onderzoeksinstituut van het ministerie van Handel onlangs in de media.

Ma Yu stelt dat de arbeidstekorten eenvoudig zijn op te lossen: verhoog de salarissen zodat het voor de boeren weer voldoende loont om naar de steden te komen, dan staat het hele Chinese platteland morgen weer voor de deur. Hij stelt dat met de nog altijd zeer hoge reserve aan overtollige arbeidskrachten op het platteland een structureel tekort aan personeel eenvoudigweg onmogelijk is.

Meneer Zhang, bedrijfsleider bij een textielfabriek, verwacht niet dat zijn bedrijf de lonen in de toekomst sterk zal kunnen verhogen. ,,We proberen vooral iets te doen in de sfeer van de arbeidsomstandigheden. Beter eten, een nettere slaapzaal, af en toe een quiz in de avonduren of een loterij met mooie prijzen, zo min mogelijk overwerk. Veel meer kunnen we niet doen als we onze internationale concurrentiepositie willen behouden.''

Dat verhaal komt in veel vormen terug bij de werkgevers in Dongguan. Ze zeggen hun lonen wel iets te willen verhogen, maar zeker niet meer dan vijf procent. Ze zijn bang dat ze anders weggeconcurreerd worden.

Maar vijf procent is volgens veel economen te weinig. Zij denken dat de arbeidstekorten de lonen in Chinese fabrieken sneller zullen doen stijgen dan eerder werd verwacht. Op korte termijn zal een aantal fabrieken daaraan failliet gaan. Anderen zullen zich gedwongen zien over te gaan op minder arbeidsintensieve productie, om zich dieper in het binnenland te vestigen, of om uit te wijken naar productie in andere landen dan China.

Sommige bedrijven doen dat al. In de afgelopen jaren heeft een aantal Taiwanese producenten Dongguan verruild voor Vietnam, waar de lonen lager liggen. Ook vertrekken bedrijven naar de delta van China's rivier de Yangtze, in de buurt van Shanghai. Daar bouwen ze fabrieken die meer op machines en minder op menskracht leunen. De geschoolde arbeiders die daarvoor nodig zijn, zijn in dat deel van China makkelijker te vinden. Ook arbeiders proberen Dongguan te verruilen voor de omgeving van Shanghai, waar de lonen hoger liggen. ,,Het betekent dat China begint deel te nemen aan de normale economische wereld'', aldus Jonathan Anderson, chef-econoom bij de UBS-bank in Hongkong vorige maand in de Britse zakenkrant Financial Times. ,,Lonen stijgen als je groeit. Zo gaat dat overal, en zo zal dat ook in China gaan.''

En zo wordt China's eindeloos goedkope arbeid minder vanzelfsprekend. Als China komend jaar niet alleen met loonsverhogingen, maar ook met een verhoging van de wisselkoers van de yuan ten opzichte van de dollar te maken krijgt, zou China's positie als dé fabrieksvloer van de wereld wel eens kunnen gaan afbrokkelen.

Meneer Zhang heeft voorlopig andere zorgen aan zijn hoofd. Het is december, en veel van zijn arbeiders vertrekken nu al naar hun geboortedorpen in de aanloop naar Chinees Nieuwjaar. Dat valt pas in februari, maar het vervoer naar het platteland is nu nog goedkoop. Ze stappen vast op de slaapbus of de trein, in de zekerheid dat ze bij terugkomst heus wel weer werk vinden. Zhang ziet hun vertrek met lede ogen aan. ,,Ik denk dat ik veel van hen volgend jaar mijn poort niet meer zie binnenlopen.''

Chinese regeringsdeskundigen voorspellen dat het aantal migrantenarbeiders in 2020 tot 300 miljoen zal zijn opgelopen. Het gaat daarmee om een migratie van zeker 30 miljoen boeren per jaar. Volgens de Asian Development Bank zal het aantal van 300 miljoen zelfs al in 2010 worden bereikt.

Tegelijkertijd kampt China met een groeiend tekort aan arbeidskrachten in de steden. Vooral technici en verkopers zijn schaars, maar ook ongeschoolde arbeiders, vooral afkomstig van China's platteland, zijn steeds moeilijker te vinden.

Vooral de Zuid-Oostelijke kustprovincies Guangdong (Kanton), Fujian en Zhejiang kampen met tekorten. Officieel heeft de provincie Guangdong momenteel een tekort van twee miljoen arbeiders. In de provincie werken naar schatting zo'n 20 à 30 miljoen migranten.