Brinkhorst zet parlement het mes op de keel

Minister Brinkhorst wil meer macht om Europese regels sneller in praktijk om te zetten. Maar de Eerste Kamer vreest uitholling van het parlement.

Nederland kampt met achterstanden bij de invoering van allerlei Europese besluiten in onze regelgeving. Dat is riskant, want treuzelen kan ons land geld kosten als de benadeelden bij de rechter klagen. Om maar te zwijgen van een boete van de EU.

Tot zover is iedereen in Den Haag het eens. De vraag hoe de achterstand moet worden weggewerkt heeft echter geleid tot een principieel conflict tussen regering en parlement.

Directe inzet vormt de omzetting van een serie EU-richtlijnen op het gebied van energie, post en telecommunicatie. Minister Laurens Jan Brinkhorst (Economische zaken, D66) vraagt een verruiming van het mandaat om deze besluiten versneld in te voeren. Hij wil zonodig Nederlandse wetsbepalingen die in strijd zijn met de nieuwe Europese regels per ministerieel besluit opzij kunnen zetten of vervangen.

De Nederlandse achterstand is bijna tweemaal zo groot als binnen de EU als maximum is afgesproken. Nederland stond deze zomer zesde van onderen op het lijstje van de oude vijftien lidstaten met een recordachterstand van 65 richtlijnen. Het kabinet-Balkenende wil dit terugdringen. Daarvoor haalde het een plan van het paarse kabinet uit de kast.

De Eerste Kamer is als eerste dwars gaan liggen, uit vrees voor uitholling van de rol van het parlement als medewetgever. Ook de Raad van State, het hoogste adviesorgaan van de regering, houdt vast aan actieve controle door het parlement op de invoering van EU-besluiten.

Het kabinet stelt echter dat in veel gevallen de speelruimte voor de nationale wetgever vrijwel nihil is. Brinkhorst stelt een ruil voor: geef mij als minister meer bevoegdheden om EU-besluiten in te voeren, dan zal ik de Staten-Generaal in een zo vroeg mogelijk stadium betrekken bij de totstandkoming van die besluiten. Hij wil parlementaire goedkeuring beperken tot ingrijpende wijziging van de Nederlandse wetgeving. Met name op het gebied van telecom worden richtlijnen snel aangepast aan gewijzigde marktomstandigheden. Maar het is duidelijk: als dit eenmaal voor telecom is ingevoerd zullen andere onderwerpen snel volgen.

De Tweede Kamer hikt dan ook tegen het voorstel van minister Brinkhorst aan. Jan Jacob van Dijk (CDA) is kritisch over de ruil van Brinkhorst. Hij is vóór vroege consultatie van het parlement over richtlijnen in voorbereiding. Dat is een stimulans voor het parlement om zijn Europese huiswerk beter te doen dan nu wel eens het geval is. Maar dan moeten er duidelijker waarborgen komen voor de kwaliteit van deze consultatie dan Brinkhorst biedt.

Vaak biedt een richtlijn de nationale wetgever nog wel degelijk bewegingsvrijheid. Als voorbeeld noemt Van Dijk een richtlijn over gasleveranties die technisch-juridisch geheel leek te zijndichtgetimmerd, maar tot een heel debat met het kabinet over de keuze tussen marktwerking en regulering aanleiding gaf.

Senator Eric Jurgens (PvdA), die de kwestie hielp aanzwengelen, heeft een compromis: de regering meldt de uitvoeringsmaatregelen aan bij het parlement. Als dat binnen drie maanden niet om een debat vraagt, kunnen ze worden ingevoerd. Staatsrechtsgeleerden zijn sceptisch over de formule `wie zwijgt, stemt toe' voor Europese besluiten. Zo'n procedure brengt de parlementaire betrokkenheid terug tot een formaliteit.