Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Het is nog donker als we opstaan. Samen met mijn broertje ga ik op pad. We zijn uitgenodigd voor de traditionele varkensslacht. De enige reden die Hongaarse vrienden in Boedapest kunnen bedenken waarom die slacht zo vroeg is, is dat de betrokkenen dan nog niet stomdronken zijn. De varkensslacht is vóór alles een familiereünie. De met dédain uitgesproken vooroordelen van de Hongaarse stedeling ten opzichte van de Hongaarse boeren blijken wat dit aspect betreft juist te zijn: het bloederige handwerk wordt ruim overgoten met Pálinka uit plastic literflessen.

We lopen door de dorpsstraat als de hanen beginnen te kraaien. Honden blaffen, schimmen passeren in het schemerdonker. Op het Hongaarse platteland is het werkelijk donker, zoals in de Oekraïne of in Afrika. Men is zuinig met electriciteit en de huizen hebben luiken die potdicht zitten. Het is kwart over zes zaterdagochtend. De tegenstelling tussen stad en platteland is in Hongarije vele malen groter dan in Nederland. Op het platteland is het 1934. In Boedapest is het, zoals op veel plaatsen, 2004.

Anderhalve dag eerder, op donderdagavond, was ik in Boedapest uitgenodigd voor een literair diner met twee Nederlandse voordrachten en één Hongaarse. Het vond plaats in de Nagymezö ut in de voormalige nachtclub `Arizona', ook wel bekend als `Het paleis der kussen'. Hier schitterde in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw `Miss Arizona'. Haar shows waren zo vermaard dat de Maharadja van Kapurtala en de Prins van Wales ervoor naar de club kwamen.

In de `Arizona' werd met behulp van langbenige danseressen, goochelaars, acrobaten, gemuilkorfde vosjes, een swingende big band en veel champagne getracht uit het leven te halen wat erin zit. Hoewel `Miss Arizona' en haar echtgenoot, de eigenaar van de club, joods waren, draaide de nachtclub vrijwel de hele oorlog op volle toeren door, en was een verzamelpunt van Duitse officieren en spionnen van alle nationaliteiten. De goede contacten met Duitse officieren noch hun rijkdom konden het joyeuze echtpaar uiteindelijk redden. In 1944 werd `Miss Arizona' door de Hongaarse Pijlkruisers aan de oever van de Donau doodgeschoten. Ook haar man werd vermoord.

Zestig jaar later zweeft `Miss Arizona' boven de aanwezigen en helpt er aan herinneren dat enige bescheidenheid op zijn plaats is. Geert Mak, schrijver en overtuigd Europeaan, is de eerste tafelredenaar. Hij benadrukt het belang van de `Agora', een plek waar men elkaar kan ontmoeten en van mening wisselen. De inwoners van Europa moeten een gevoel van verbondenheid krijgen doordat ze elkaars verhalen kennen. Aan het eind van zijn tafelrede noemt Mak de dingen die de Hongaren waarschijnlijk gaan verliezen nu ze deel uitmaken van de Europese Unie: de traditie in de achtertuin gezamelijk een varken te slachten.

Op het erf van Julia's oudste broer drentelen vijf honden opgewonden rond, ze schijnen te weten wat ze straks toegeworpen krijgen. In twee metalen cilinders worden houtvuren gestookt. Er bovenop staan twee enorme pannen met water. Voor het varkenshok is Julia's familie – haar drie broers, haar zoon en dochter – en een buurman verzameld. Binnen is de oudste broer. Hij fluistert tegen het varken en probeert een lus om de nek te slaan. Hij is de eigenaar van de varkens. Hij heeft ze een jaar lang het hok in en uit gepraat, maar nu, op de dag dat ze geslacht gaan worden, luisteren ze niet.

Als de lus eindelijk om de nek zit wordt het dier naar buiten gesleept. Het varken gilt als een bezetene. Op een stuk vlak gras worden hem de poten gelicht. We worden gevraagd te helpen. Twee mannen nemen de voorpoten en met z'n drieën pakken we de achterpoten. De oudste broer is er niet bij. Later zal hij weer opduiken om Pálinka te schenken. De op een na oudste broer zet een groot mes in de nek van het varken, vijftien centimeter voor de linkervoorpoot. Een duimdikke straal donkerbloed begint uit de nek te stromen. Het varken vecht voor zijn leven. Het is een reus van 180 kilo. Met vijf volwassen mannen moeten we alle kracht zetten om het dier in bedwang te houden. We worden heen en weer geslingerd als in een kermisattractie.

Minutenlang gaat het door, terwijl het bloed gestaag uit de nek stroomt, om de paar minuten komt er ineens een aanval. Ik weet niet wanneer het van vechten voor het leven overgaat in stuiptrekkingen. Eindeloos lang houden we de poten vast. Ik ben uitgeput als ik eindelijk op kan staan, alsof niet alleen het leven uit het varken is gestroomd.

Het dier ligt in het gras met de poten gestrekt. Het heeft iets maagdelijks, met die lichtroze huid. Ik leg mijn hand op de zij van het dier, het begint te verstijven. Ik vraag of het varken een naam heeft. Nee, hij heeft geen naam.

Het is inmiddels dag geworden. We krijgen een tweede en een derde ronde Pálinka. Met een vlammenwerper worden de haren van de huid gebrand. Daarna wordt de huid geblakerd, vervolgens wordt met een mes, een borstel en plenzen kokend water uit de pannen de huid schoongemaakt. Julia's gehele familie is in de weer. Nog twee dochters komen en kussen de vader op de toegedraaide wang. Van roze, naar bruin, naar zwart, naar wit verkleurt het varken. Alles van het varken wordt gebruikt. De oren worden liefdevol gepoetst.

Dan wordt er met het mes een oor afgesneden en krijg ik het in mijn modderige hand gedrukt, als een toreador die wordt beloond voor het goed en dapper bevechten van de stier. Ik word verondersteld het te eten. Het voelt aan als perkament. Gelukkig heb ik in mijn andere hand alweer een vol glas Pálinka – de drank die alles dragelijk maakt. Ik neem een niet te grote hap, als een connaisseur die weet dat je zo'n ongebakken, hard, gekruld varkensoor van een varken dat een half uur eerder nog rondliep niet in één keer naar binnen moet schrokken. Ik knik waarderend. En als even later niemand kijkt maak ik de dichtsbijzijnde hond blij.