Ademend veen

Ooit was Nederland voor een derde bedekt met hoogveen. Nu is er hooguit vijf hectare levend hoogveen over. Dit unieke, historische landschap valt met enig kunst- en vliegwerk te herstellen, zegt de Nijmeegse bioloog Hilde Tomassen.

`NIET NAAST die plank stappen, want je zakt hier zo tot je middel in de veenprut weg!'', waarschuwt bioloog Hilde Tomassen. Ze spreekt uit ervaring op haar eerste tochtje, als stagiaire, ging ze hier op een koude novemberdag zo ongeveer kopje onder. We volgen een smalle, met mos begroeide glibberplank door het Pikmeeuwenwater, een zompig ven in Noord-Limburg. De grond sopt en gorgelt onder je voeten. Rondom staan grote pollen goudgeel pijpenstrootje. Er groeien dikke kussens veenmos in allerlei tinten groen, geel en rood. Je vindt hier nog zeldzame bultvormende hoogveenmossen, zoals wrattig veenmos, rood veenmos en hoogveen-veenmos.

Hilde Tomassen promoveerde vorige maand in Nijmegen op een onderzoek naar mogelijkheden voor herstel van hoogveen. Haar werk maakte deel uit van het Overlevingsplan Bos en Natuur, een onderzoeksprogramma van het ministerie van natuurbeheer (LNV), gericht op natuurherstelmaatregelen. Inmiddels werkt ze bij onderzoekscentrum B-ware in Nijmegen.

Een hoogveen is een heel complex ecosysteem, dat in de loop van zo'n tienduizend jaar ontstaan is. Meestal begint de veenvorming in een laagte met een ondoordringbare laag in de ondergrond. Hierin blijft water staan, dat langzaam dichtgroeit. Eerst overheerst meestal riet en zeggen, later verschijnen er veenmossen. Naarmate de veenvorming vordert, wordt de invloed van het grondwater steeds minder. Geleidelijk ontstaat een grote, misschien wel tien meter hoge veenbult, die vooral door voedselarm regenwater wordt gevoed. Vooral in koele streken waar veel regen valt en weinig water verdampt groeit vanouds veel hoogveen.

zuigkracht

Veenmossen hebben de bijzondere eigenschap dat ze bijzonder veel water kunnen vasthouden. ``Als je een pluk veenmos uitknijpt, zie je dat er meer water in zit dan in een pak melk'', zegt Hilde Tomassen. ``Door de zuigkracht van het veen kunnen die hoogveenpakketten ver boven het grondwater uitstijgen.'' Voortdurend wijst de onderzoekster bijzondere planten aan. Naast veenmossen vind je hier veenpluis en eenarig wollegras, kleine veenbes en lavendelhei, dophei en struikhei. In dit voedselarme ecosysteem voelt ook de vleesetende zonnedauw zich thuis.

Sinds de zeventiende eeuw zijn de meeste hoogvenen vergraven voor de turfwinning. Er kwamen ontwateringskanalen, het landschap is verdroogd. Herstel van zo'n complex ecosysteem is een moeizame zaak. Tomassen: ``Bij het ontstaan van een hoogveen verschijnt een opeenvolgende reeks veenmossen, waarvan sommige soorten nog slechter afbreekbaar zijn dan andere. Vooral de terugkeer van die slecht afbreekbare soorten is essentieel om de veenvorming weer op gang te krijgen, want zij zorgen voor een snelle veenaccumulatie. Wie geld in natuurherstel gaat steken wil natuurlijk graag binnen één mensenleven resultaat zien. Wij hebben geen tienduizend jaar geduld.''

Veenmossen kunnen zich zowel vegetatief als via sporenvorming vermeerderen. Opvallend is dat juist de soorten die natuurbeheerders graag zien verschijnen zich nauwelijks meer via sporenvorming vermenigvuldigen. Onder natuurbeheerders is er nu discussie over de vraag of je verdwenen veenmossoorten een handje moet helpen bij hun terugkeer, in Duitsland zijn zelfs al plannen voor veenmoskwekerijen.

waterbed

Als je hier rondspringt, beweegt de hele omgeving mee alsof je op een waterbed staat te springen. We staan op een drijftil, een drijvende veenlaag, die het hele jaar door met het waterpeil mee op en neer gaat. Bij zuurstofloze afbraak van de afgestorven veenplanten onder water ontstaat veel methaangas of moerasgas. ``Dit moerasgas werkt letterlijk als `drijfgas' voor het veen'', zegt Tomassen. ``Na vernatting van een verdroogd veen in een natuurherstelproject kunnen stukken veen soms komen opdrijven'', vertelt Tomassen. ``Deze drijftilvorming is een ideale uitgangssituatie voor hoogveenherstel.'' In te zuur milieu kunnen de methaanvormende bacteriën hun werk echter niet meer doen en zal het veen niet gaan drijven. Kansloos zijn ook terreinen waar het hoogveen helemaal is verveend tot op het sterk afgebroken zwartveen. Daar zullen ondanks alle vernattingsmaatregelen geen veenmossen meer gaan groeien. In terreinen waar het grondwater te rijk is aan sulfaten zullen sulfaatreducerende bacteriën de overhand krijgen en de methaanvormende bacteriën verdringen. Daarom moeten verdroogde hoogvenen nooit met sulfaatrijk water worden vernat.

Lastig is bovendien dat veel hoogveenvegetaties overwoekerd raken door pijpenstrootje en jonge berken. Dan worden de veenmossen weggeconcurreerd. Deze verruiging wordt in de hand gewerkt door de zure regen (atmosferische depositie), de verdroging of een combinatie van beide. De atmosferische depositie zorgt voor een ``gratis stikstofbemesting'' uit de lucht van 2 tot 6 gram zuivere stikstof per vierkante meter per jaar. Rond 1900 was dat maar 0,10 tot 0,35 gram. Een belangrijke bron van stikstof is de ammoniak afkomstig uit mest.

Plaggen uit het Pikmeeuwenwater werden meegenomen naar het laboratorium van de Radboud Universiteit in Nijmegen en kregen daar drie jaar lang een extra stikstofbemesting. Ook in het Ierse hoogveen Clara Bog voerde de promovenda kleine bemestingsexperimenten uit. Het pijpestrootje ging door stikstofbemesting harder groeien, maar jonge berken verpieterden. Waarschijnlijk is voor de berken niet stikstof, maar fosfor de beperkende groeifactor. Dat blijkt ook uit chemische analyses aan het eind van het driejarige bemestingsexperiment. Tomassen: ``In de meeste Nederlandse hoogvenen is meer dan genoeg fosfor aanwezig.'' Opvallend was dat de veenmossen in het experiment in de eerste jaren heel veel stikstof vastlegden. Een gezonde veenmosontwikkeling werkt blijkbaar bufferend op het ecosysteem. Ook in dat opzicht zijn veenmossen een sleutelsoort bij natuurherstel.

Inmiddels zijn tientallen miljoenen euro's gestoken in maatregelen voor hoogveenherstel, waarbij vooral de waterhuishouding als sleutelfactor werd beschouwd. Kanalen zijn gedempt, dammen aangelegd, terreinen vernat. Vaak leidden deze dure ingrepen echter niet tot herstel van de veenmosvegetatie. Soms gebruikt men nog houten palen, die binnen tien tot twintig jaar kunnen wegrotten. Tomassen: ``Je kunt je geld beter in de meest kansrijke terreinen steken. In gebieden met veel intensieve veehouderijen en veel ammoniakuitstoot zal herstel heel moeilijk zijn.''

schommelingen

Hoogveenherstel is extra ingewikkeld omdat dit ecosysteem gebaat is bij een kalm, stabiel waterpeil. De jongste, bovenste laag van een intact levend hoogveen houdt zelf de waterschommelingen binnen de perken door 's zomers in te krimpen en 's winters weer uit te zetten. `Moor Atmung' noemen de Duitsers dat. Dit ademen van het veensysteem kom je in Nederland bijna niet meer tegen. Als het grondwaterpeil 's zomers ver wegzakt en 's winters weer stijgt komt de eerste veenvorming maar moeilijk op gang. Er wordt nu zelfs gedacht aan het aanleggen van buffervoorraden water om al te sterke waterpeilschommelingen tegen te gaan en het herstelproces weer op gang te krijgen. Het blijft tobben.