Zaak-Hofmans groeide Drees `over de kop'

Oud-premier Drees was een belangrijke steun voor Juliana tijdens de Greet Hofmans-affaire. Haar wantrouwen bracht hem tot wanhoop, blijkt uit notities van Marga Klompé.

Premier Drees was in de zomer van 1956 zo ontdaan over de affaire-Greet Hofmans dat hij bang was de zaak niet aan te kunnen. Dat blijkt uit het deze week openbaar geworden deel van het archief van het toenmalige KVP-Kamerlid M.A.M. (Marga) Klompé, dat zich in het Nationaal Archief in Den Haag bevindt.

Drees kwam met deze ontboezeming in een gesprek, eind juni 1956, met minister J. Cals, zo blijkt uit aantekeningen van Klompé op basis van wat Cals haar vertelde. Zij gold als een vertrouwelinge van Cals.

De bewindsman deed in zijn onderhoud met de premier verslag van wat koningin Juliana op 20 juni 1956 in een gesprek over de kwestie-Hofmans tegen de psycholoog prof. Rutten had gezegd. Deze was bij de koningin geroepen om de zaak-Hofmans te bespreken. Juliana had Rutten meegedeeld dat zij geen vertrouwen meer had in Drees. Zij had ook een reden gegeven: het feit dat Drees een brede basis voor zijn kabinet wilde. Volgens haar kon dat alleen maar bedoeld zijn als een frontvorming tegen haar.

Toen Cals dit daarop aan Drees overbracht, deed dit, zo vertelde Cals later aan Klompé, ,,Drees naar het hoofd [...] grijpen, onder de mededeling dat de zaak hem over de kop groeide en dat hij hem niet aankon''.

De zaak-Hofmans draaide om de toegang die de spiritueel begaafde Hofmans tot Juliana had en over de invloed die zij op het staatshoofd uitoefende. De kwestie leidde tot grote spanningen tussen koningin en prins Bernhard. De prins en een aantal ministers in het kabinet-Drees zagen in Hofmans een groot gevaar, omdat zij de koningin politiek zou beïnvloeden. Juliana wilde echter niets van deze kritiek horen en zou Bernhard zelfs hebben gesommeerd Soestdijk te verlaten.

In het nu vrijgegeven archiefstuk komt ook een eventuele troonsafstand van Juliana aan de orde. Dat gebeurde in het gesprek tussen de toenmalige directeur van het Kabinet van de Koningin, Marie Anne Tellegen, en Klompé op 25 juni 1956. In dat gesprek kwam Tellegen terug op haar eerdere verklaring dat stellingname in de zaak-Hofmans weinig zin zou hebben. Nu vond ze dat het toekomstige kabinet (het kabinet-Drees was demissionair) ,,duidelijk eisen ter zake moest stellen, daar er nu schriftelijke bewijzen van politieke invloed [van Hofmans] ter tafel liggen''. Welke bewijzen dat zijn, is onduidelijk. Tellegen meende, zo schrijft Klompé, ,,dat de kans 50/50 is dat dit abdicatie ten gevolge zal hebben''.

Ook Drees sprak met Cals over abdicatie. Hij meende, zo vertelde Cals aan Klompé, ,,dat men het koningschap niet kan redden door abdicatie en het kind [Beatrix] op de troon, omdat daarna de ouders met elkaar gaan procederen, waardoor het voor het kind wel niet mogelijk zal zijn om de waardigheid van het koningschap in stand te houden.''

In deze week ook openbaar geworden archiefstukken van de toenmalige secretaris-generaal van het ministerie van Algemene Zaken, C.L.W. Fock, geeft deze als zijn mening dat ministers uit Drees' kabinet onder aanvoering van minister van Buitenlandse Zaken J.W. Beyen uit waren op abdicatie van Juliana. Het zou gaan om een troonsafstand van Juliana ten gunste van Beatrix met eventueel een kort regentschap van de prins. Volgens Fock, rechterhand van de premier, was Drees een van de weinigen die zich hier consequent en duidelijk tegen heeft verzet.