Wat niet weersproken wordt, is altijd waar

Hardnekkige beweringen over de vermeende nazi-sympathieën van prins Bernhard en zijn moeder, worden door een jurist in droog proza naar het rijk der fabelen verwezen.

Met een van zijn laatste anarchistische publiciteitsacties nam prins Bernhard in februari van dit jaar wraak op het vaderlandse journalisten- en schrijversvolk dat hem sinds de jaren zeventig, in de voetsporen van wijlen Wim Klinkenberg, zijn Duitse verleden was blijven nadragen. De Volkskrant (die toen al zijn deze week gepubliceerde postume vereffening met zijn eigen historie onder handen had) gaf hem de ruimte om zijn journalistieke belagers van repliek te dienen en de stoom van jaren opgekropte irritatie en frustatie af te blazen. Het was de eerste keer dat de oude prins der Nederlanden, niet langer gehinderd door de baleinen van zijn constitutionele keurslijf, de kans greep zich publiekelijk te weer te stellen tegen aantijgingen en beweringen over zijn verleden die naar zijn mening kant noch wal raakten.

Hij had het geluk dat de politieke wind intussen in zijn voordeel gedraaid was. Prins Bernhard werd niet meer kortgehouden door premiers die het niet op publicitaire tegenaanvallen begrepen hadden en hem generaties lang hadden ontmoedigd met vermaningen dat rechtsgedingen tegen kwaadsprekers de zaak alleen maar erger maakten. Tegen de dienstdoende minister-president J.P. Balkenende kon hij nu straffeloos zeggen dat hij een leeftijd had bereikt waarop hij zich niets meer aan de ministeriële verantwoordelijkheid gelegen liet liggen en zou zeggen wat hij nog een keer zeggen wilde (Balkenende, die zich zojuist op paleis Soestdijk had gepresenteerd als een trouwe aanhanger van de prins, ten bewijze waarvan hij een plakboek uit zijn jongensjaren had meegebracht, wist daar niets tegenin te brengen).

Het lag niet voor de hand dat Bernhard in die publicatie in de Volkskrant heel Nederland, of zelfs maar heel oranje Nederland zou overtuigen. Daarvoor was zijn pleitnota te veel een oratio pro domo. Het vorige week gepubliceerde bronnenonderzoek dat de Amsterdamse hoogleraar in het privaatrecht E.J.H. Schrage naar een aantal anti-Bernhardverhalen heeft gedaan overtuigt naar zijn aard veel meer, omdat het niet in opdracht geschreven is, maar steunt op een onafhankelijke nieuwsgierigheid naar de herkomst van al die ogenschijnlijk onuitroeibare geruchten die het leven van prins Bernhard altijd hebben omringd.

Pesterijen

Schrage heeft zijn onderzoek gericht op enkele geruchten die in de publiciteit van de laatste jaren veel aandacht hebben getrokken, zoals het spionagegeld dat prins Bernhard in de jaren dertig van het Duitse ministerie van Economische Zaken zou hebben getoucheerd; vervolgens de saldi die in de oorlog op zijn Duitse bankrekening zouden hebben gestaan en de zogenoemde Stadhoudersbrief die hij in 1940, dan wel in 1942 aan Hitler zou hebben geschreven en waarin hij zichzelf als stadhouder voor het bezette Nederland zou hebben aangeboden.

Ook de aan Bernhards moeder, prinses Armgard, toegeschreven nazistische sympathieën krijgen in Schrage's boekje grondige aandacht, evenals de politieke opvattingen van twee tegengestelde achtergrondfiguren in haar entourage: de van oorsprong Wit-Russische, in 1949 tot Nederlander genaturaliseerde huisvriend van de Lippe Biesterfelds, de kolonel Pantchulidzev, en de oplichter en bedrieger (na een rechtbankvonnis) graaf Soltikow, een notoire procesvoerder, die zichzelf na de oorlog een heldenrol in de Abwehr heeft aangemeten en heel wat in de geheime diensten geïnteresseerde journalisten met zijn fantasieën om de tuin heeft geleid.

De publicatie van Schrage is effectiever dan Bernhards eigen verweer, doordat de schrijver niet alleen op zoek is gegaan naar de aard van geruchten uit de politieke biografie van Klinkenberg (1979), maar ook naar de Duitse oorsprong ervan. Schrages uitgangspunt was de ogenschijnlijk eenvoudige vraag op welke feiten Klinkenbergs beschuldigingen waren gebaseerd. De uitkomst is op de meeste punten even vernietigend als ontluisterend, zowel voor de biografie van Klinkenberg (die op het punt van feiten nooit hoog scoorde) als voor zijn moderne navolgelingen, die de oude geruchten een tweede leven hebben bezorgd.

Met een omvangrijke productie van archiefstukken maakt Schrage aannemelijk dat prinses Armgard zoveel last ondervond van nazi-pesterijen in haar woonplaats Reckenwalde dat zij uiteindelijk moest verhuizen. Blijkens haar lotgevallen kon zij onmogelijk tot de sympathisanten van het Derde Rijk worden gerekend: ze werd gesard door lokale partijbonzen, men onthield haar een jachtvergunning en tenslotte werd ze van haar landgoed verjaagd. Schrage heeft het in Nederland onbekende feit opgedolven dat Armgard na de oorlog door de Duitse uitkeringsinstaties werd aangemerkt als slachtoffer van het nazi-regime en op grond daarvan een uitkering ontving. Die werden niet aan voormalige aanhangers toegekend.

Philippe Dröge, die prins Bernhard in zijn boek Het Oranjekapitaal een Duits spionageloon in de jaren dertig laat opstrijken, krijgt van Schrage een lesje in het fiscale nationaal-socialistische aanslagbeleid. Dröge heeft niets begrepen van de onteigeningslogica van de nazi's en prins Bernhard een fiscaal voorrecht toegedicht dat in werkelijkheid een boete was (Reichsfluchtsteuer) die buitenlanders moesten betalen voordat ze een opname van hun eigen geblokkeerde Duitse bankrekening konden doen. Zo blijkt het spionageloon een constructie van een auteur die de wet verkeerd gelezen heeft.

Ook met de hardheid van de spookachtige Stadhouderbrief veegt Schrage de vloer aan. Hoewel geen enkele auteur of onderzoeker de brief ooit heeft gezien blijft het verhaal rondzingen, zonder een papiersnipper bewijs. Alle doorvertellers steunen op dezelfde dubieuze bron: een boek van graaf Soltikow, een vaag heerschap dat zich in zijn memoires opwierp als vertrouweling van het hoofd van de Duitse militaire inlichtingendienst, de anti-Hitlergezinde Wilhelm Canaris, maar in werkelijkheid geen papieren had om die aanspraken te staven. Soltikow schrijft nota bene in zijn eigen boek dat hij die brief nooit in handen heeft gehad. Kennelijk is er geen Stadhoudersbrief, concludeert Schrage, volgens wie zo'n brief trouwens onbestaanbaar is in het licht van Bernhards reputatie in Duitsland: de nazi's zagen hem na zijn overgang naar Nederland immers als een vijand van het volk.

Geheimen

Schrage schrijft een droog maar nauwgezet proza, waar af en toe een ingetogen ironie doorheen schijnt. Geduldig fileert hij de canards die hij in de onderzochte literatuur tegenkomt, om pagina na pagina te constateren dat er niets klopt van de verhalen die hij tot op de bodem heeft uitgezocht. Schrage concludeert dat er in tal van boeken over prins Bernhard en zijn moeder Armgard veel onzin wordt beweerd die nooit is tegengesproken. Schrijvers als Tomas Ross en J.G. Kikkert hebben zich op het uitblijven van officiële tegenspraak ook steevast beroepen en tientallen onweersproken bronnen aangehaald die door het schuren der historische getijdenstromen in hun ogen de schijn van echtheid hebben gekregen. Tegen Schrages centrale stelling dat onzin door de enkele herhaling ervan nog geen waarheid wordt valt inderdaad niets in te brengen.

Bernhard had geen miljoen van Lockheed nodig om zijn buitenechtelijke dochters te onderhouden, zoals vaak is verondersteld. Zijn eigen vermogen was daarvoor meer dan toereikend. In het boekje (een herdruk van wat al in de Volkskrant heeft gestaan) van Broertjes en Tromp, waarin Bernhard op de valreep nog schoon schip maakt met zijn buitenechtelijke verleden, spreekt de prins vrijuit over zijn persoonlijke geheimen, die hij niet mee in het graf wilde nemen. Maar hij zegt niet waarom hij zijn twee buitenlandse dochters op voet van gelijkheid met zijn andere dochters in zijn erfenis laat delen. Een jaar geleden heeft hij vier intimi in dat geheim betrokken, maar ook dat had hij best bekend kunnen maken, omdat zijn ware motief hem niet van zijn slechtste kant laat zien. Ik wil straks niet van deze aarde verdwijnen met de reputatie van een ontaarde vader, zei hij toen tegen mij. Daarom had hij bij de notaris laten vastleggen dat al zijn (zes) dochters op gelijke voet zouden erven. Terugkomend van de notaris lichtte hij onmiddellijk de vrienden en zijn oudste dochter in.

Dankzij Bernhards biecht aan Broertjes en Tromp hoeft er voortaan ook geen taboe meer te rusten op de Lockheed-steekpenningen die hij zegt te hebben aangenomen. De prins moet grijnzend zijn afgezwaaid in de wetenschap dat hij de commissie van onderzoek die destijds geen bewijs van betaling heeft kunnen vinden te slim af is geweest. De commissie gunde hem het voordeel van de twijfel dat hij goedbeschouwd niet verdiende. Eigenlijk moeten we dus alsnog vaststellen dat het oordeel van de regering in 1976 over de gedragingen van de prins te licht is geweest.

E.J.H. Schrage: Zur Lippe-Biesterfeld. Prinses Armgard, prins Bernhard en hun houding tegenover nazi Duitsland. Balans, 200 blz. €16,50

Pieter Broertjes en Jan Tromp: De prins spreekt. Balans, 80 blz. €9,50