Vóór Sainte-Beuve

Tweehonderd jaar geleden werd Charles-Augustin Sainte-Beuve geboren. Hij was een van de eerste moderne literaire critici, misschien zelfs dé eerste. Zijn methode werd door Marcel Proust verfoeid in `Contre Sainte-Beuve'. Maar zijn literaire portretkunst is nog altijd onovertroffen.

Busken Huet noemde Sainte-Beuve na diens overlijden zonder ironie `een apostel, een mentor, een herder'. Zoiets zal tegenwoordig niet gauw meer worden gezegd over een literair criticus. Charles-Augustin Sainte-Beuve (1804-1869) was dan ook een van de eerste, misschien zelfs wel dé eerste. Jaren achtereen schreef hij tegen een vaste vergoeding elke week een stuk in de krant over een pas verschenen boek. Het is een van de redenen waarom Sainte-Beuve (wiens tweehonderdste verjaardag volgende week donderdag wordt gevierd) het verdient om in de herinnering te worden gekoesterd.

Maar het is niet de enige reden. Sainte-Beuve was niet alleen de eerste moderne criticus, hij voldeed ook meteen aan bijna alle clichés die over critici de ronde doen. Zo had hij zelf een groot dichter en romancier willen worden, iets wat nooit helemaal is gelukt, ondanks enkele poëziebundels en een roman. Ook was hij niet vrij van jaloezie op de succesvolle schrijvers en dichters in zijn naaste omgeving, zoals mag blijken uit zijn dagboek (postuum gepubliceerd onder de veelzeggende titel Mes poisons) waarin hij, onder het motto `knijp in de spons en het zuur spuit eruit', alle remmen losgooide.

Victor Hugo, de leider van de Franse romantici, heet er een `jonge barbaarse koning' die hij, Sainte-Beuve, vergeefs had getracht te civiliseren. Lamartine wordt afgeserveerd als de `Paganini van de politiek' en `de eerste der politieke charlatans en literaire industriëlen'. Théophile Gautier had een `slechte adem', die je ook uit zijn poëzie tegemoet walmde. En met gretige instemming wordt een collega geciteerd, die beweerde na de lectuur van Balzacs romans altijd de behoefte te voelen `om zijn handen te wassen of zijn kleren te borstelen'.

Tot Sainte-Beuves verdediging kan worden aangevoerd dat hij in zijn publieke artikelen evenmin altijd de loftrompet stak over deze auteurs. Ook schreef hij meer dan eens over zijn vrienden, zonder dat dit automatisch een positieve recensie opleverde. Tot die vrienden behoorden in Sainte-Beuves latere leven onder meer Flaubert (met wie hij vanaf november 1862 aanzat aan de befaamde diners bij Magny) en Baudelaire. Maar hen zou hij juist onvoldoende naar waarde hebben geschat, aldus het verwijt van Marcel Proust in diens essaybundel Contre Sainte-Beuve.

Volgens Proust deugde Sainte-Beuve niet als criticus omdat hij bijna alle grote schrijvers van zijn tijd (naast de al genoemde namen ook Stendhal, over wiens romans hij alleen wist te melden dat ze `niet vulgair' waren) had miskend. Prousts andere bezwaar gold de biografische `methode' van Sainte-Beuve, waarmee je over het werk (dat volgens Proust niet werd geschreven door het gewone `ik' van de auteur, maar door diens verborgen `moi profonde') niets zinnigs te weten kon komen.

Het blijft de vraag of dit waar is. Wie leest niet graag een goede schrijversbiografie? Dat kennis over het leven van de schrijver de tekst op geen enkele manier verheldert en de lectuur niet verdiept, valt moeilijk staande te houden. Pas als de biografie het werk zou vervangen, is er reden tot zorg. We mogen Sainte-Beuve dankbaar zijn voor zijn biografische ijver, temeer omdat hij vaak de eerste was die zich in het leven van een schrijver verdiepte; in het bijzonder geldt dat voor de vele secondaire figuren, voor wie hij een speciale voorkeur aan de dag legde.

Toch heeft Sainte-Beuve nooit een echte biografie geschreven, zijn genre was het `portret'. Zelfs Port-Royal, zijn reusachtige studie over het zeventiende-eeuwse jansenisme, bestaat in feite uit één lange portrettengalerij. Niet in de laatste plaats dankzij deze portretkunst zijn zijn kritieken, hoewel tamelijk breedsprakig en voor een krantenstuk naar huidige begrippen ongelofelijk lang, nog altijd zo leesbaar. Sainte-Beuve had beslist gevoel voor psychologie. Wat ons nu minder kan schelen, hoewel het niet onbelangrijk is voor de beoordeling van zijn methode, is dat deze aanpak in zijn tijd iets nieuws was.

Zijn neoclassicistische voorgangers (Marmontel, La Harpe) hadden zich vooral op het werk gericht en zich afgevraagd of het wel aan de regels voldeed. Hiermee vergeleken was Sainte-Beuves methode een verademing. Door het accent te verleggen naar de persoon van de auteur maakte hij van de literatuur een existentieel avontuur in plaats van een retorische exercitie.

Vooropgezet was die methode niet, zij is pas geleidelijk, in de praktijk, ontstaan. Maar al vrij snel zien we Sainte-Beuve er ook over theoretiseren. In een artikel over Corneille uit 1829 wijst hij erop dat je om een groot auteur te doorgronden terug moet gaan naar diens begin, teneinde het moment te achterhalen waarop hij voor het eerst zijn ware genie ontdekt en zijn eerste meesterwerk schrijft. Ook de criticus kan dan eureka roepen, omdat deze ontdekking hem als het ware de `sleutel' in handen speelt om de rest van het oeuvre te analyseren en te begrijpen.

Voor de persoon van de schrijver geldt iets soortgelijks. Om een portret te kunnen schrijven, moet de criticus enige tijd in een tête à tête met de auteur verkeren. Aanvankelijk is het beeld vaag, maar daarna neemt de gelijkenis toe. En dan, lezen we in een stuk over Diderot uit 1831, `op het moment dat je de vertrouwde tic te pakken hebt, de onthullende glimlach, het onooglijke kloofje, de intieme en smartelijke rimpel die zich vergeefs verbergt onder de reeds uitdunnende haren, op dat moment gaat de analyse over in creatie, het portret spreekt en komt tot leven, je hebt de mens gevonden'.

De belangstelling voor de mens achter de schrijver en voor de concrete historische omstandigheden waaronder een literair werk ontstaat, past in de Romantiek met haar nadruk op de geschiedenis en op het genie. Sainte-Beuve zou je dus een romantische criticus moeten noemen, ware het niet dat hij met de Romantiek zulke problematische betrekkingen heeft onderhouden. Gelet op de Werdegang van zijn vriendschap met Victor Hugo moet dit laatste zo letterlijk mogelijk worden genomen.

Sainte-Beuve had Hugo in 1827 leren kennen, nadat hij in het liberale blad Le Globe een positieve recensie had geschreven over diens Odes et ballades. Beiden bleken vrijwel buren te zijn, en het gevolg was een vriendschap, die echter scheuren begon te vertonen toen de criticus zo onverstandig was om verliefd te worden op de mooie echtgenote van de dichter. Na veel pathetische brieven en confrontaties kwam het in 1834 tot een breuk, die ook in Sainte-Beuves appreciatie van de romantische literatuur zijn sporen heeft nagelaten.

Het moeten de meest stormachtige jaren in het leven van Sainte-Beuve zijn geweest. Niet alleen vanwege de amoureuze perikelen trouwens, want in dezelfde periode vond ook de Revolutie van 1830 plaats, die Sainte-Beuve tot een kortstondig, maar wel zeer geestdriftig engagement met het saint-simonisme wist te verleiden (een vorm van `utopisch' socialisme). Daarbij was ook de romantische poëzie inbegrepen. `Volk en dichters zullen gezamenlijk optrekken', schreef hij vol vertrouwen, `een nieuw tijdperk opent zich voor de poëzie'. L'épopée humaine, het epos waarin de vooruitgang van de mensheid werd bezongen, zou het genre van de toekomst worden.

De ironie wil dat Victor Hugo jaren later dat epos daadwerkelijk heeft geschreven (La légende des siècles), toen hij als balling op de Kanaaleilanden vertoefde, terwijl Sainte-Beuve zich verbond met het door Hugo fel bestreden Tweede Keizerrijk van Napoleon III. In plaats van de progressieve romantiek verdedigde Sainte-Beuve in die jaren een `klassieke', op de traditie gerichte literatuuropvatting. Met Goethe was hij het eens dat het romantische `ziek' was en alleen het klassieke `gezond'. Waar een ongelukkige liefde al niet toe kan leiden.

Maar het is onzin om alles op rekening van Adèle Hugo te schrijven, die de passie van huisvriend Sainte-Beuve wel degelijk een tijdlang beantwoordde, terwijl haar echtgenoot zijn heil zocht bij een lange reeks van maîtresses. De neiging tot het klassieke en de afkeer van romantische excessen zijn altijd aanwezig geweest. Al in die eerste recensie van Odes et ballades bekritiseerde Sainte-Beuve het van `slechte smaak' getuigende `gigantische' karakter van Hugo's dichterlijke verbeelding. Ook was het optimisme dat hij rond 1830 in saint-simonistische bevlogenheid aan de dag legde, eerder uitzondering dan regel.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn poëzie, die hij voor het eerst publiceerde in 1829 onder het pseudoniem Joseph Delorme. In een zelfgeschreven recensie van de bundel in Le Globe benadrukt Sainte-Beuve juist de ontgoocheling en de ennui van zijn poëtische alter ego. Joseph Delorme mocht dan op Werther, op René, op Lord Byron, op Adolphe lijken, alle grandeur ontbrak; hij was geen edelman, had geen kapitaal en wist niets van de wereld. De enige reis die hij ooit had gemaakt ging van Amiens naar Parijs, en o ja, tijdens de vakantie was hij wel eens naar Rouen geweest; hij woonde in een voorstad en kende slechts de bomen van de boulevards, de bloemen die tussen de tegels groeiden en de vrouwen die hij in zijn dromen of in romans tegenkwam.

Het mal du siècle, de keerzijde van het romantische geloof in een dichterlijke missie à la Hugo, dat óók tot de Romantiek behoort, nam bij niemand zo'n sombere, mistroostige, zelfs morsige gedaante aan als bij Sainte-Beuve. Typerend is een notitie die hij maakte voor Volupté (zijn roman uit 1834 waarvoor de driehoeksverhouding met het echtpaar Hugo de inspiratie leverde), waarin Sainte-Beuve bekent dat hij zijn wijsheid vooral heeft gevonden na het genot van de wellust: `Onophoudelijk zag ik de keerzijde en het einde van alles, het niets dat ik al voelde en waarvan de voorsmaak niet zonder melancholische geneugten is; kortom, nadat ik alle genot had verbruikt, steeds met een dodelijke triestheid, kwam ik te verkeren [...] in een helderheid, in een lichtelijk met intelligentie beijsde doorzichtigheid, en in een minimum aan illusie.'

Vanuit dit illusieloze, aan Schopenhauer of Cioran herinnerende pessimisme bekritiseerde Sainte-Beuve, nadat hij zijn Saint-simonistische geestdrift weer was kwijtgeraakt, de romantici met hun levensgrote ego's en hun wereldbestormende pretenties. Als we hem in Mes poisons zijn venijn over hen zien uitstorten, is jaloezie niet het enige motief. De kritiek komt ook voort uit een hartgrondige scepsis, een onvermogen en weldra een bewuste onwil om ergens volledig in te geloven. Waarheid en werkelijkheid zijn belangrijker, maar die confronteren de mens met zijn onmacht en zijn beperkingen. `Wie kan het laatste woord zeggen over een ander? Kan men het wel over zichzelf? Vaak is er [...] geen werkelijke bodem in ons, slechts eindeloze oppervlakten', schrijft Sainte-Beuve in 1847.

Scepsis en illusieloosheid kunnen een fatale cocktail vormen, maar bij Sainte-Beuve zijn ze een bron van kracht gebleken. Ze hebben hem in staat gesteld zichzelf weg te cijferen bij zijn kritische portretkunst. Literaire kritiek is voor Sainte-Beuve een zaak van `empathie' en zelfs van `metamorfose', de criticus moet zich zo goed mogelijk kunnen inleven in een ander. Daarvoor dient hij een soort `Mann ohne Eigenschaften' te zijn, iemand die zich voor alles en iedereen interesseert, te vergelijken met een `zwervende zigeuner' of met `de Wandelende Jood'. Sainte-Beuve gaat zelfs zo ver om in een portret van Bayle uit 1835 de `onbetrouwbaarheid' als een deugd aan te prijzen. Critici, lezen we, `keren op hun schreden terug, zij bezien een kwestie van alle kanten, zij zijn niet bang om zichzelf te weerleggen en de boel om te keren'.

Pas na de Revolutie van 1848 zal hij deze gedachten weer verlaten (wat er welbeschouwd niet mee in strijd is), wanneer hij de nadruk legt op de onmisbaarheid van het kritische oordeel. Na alle revolutionaire chaos, die de broosheid van de beschaving weer eens had gedemonstreerd, en na de romantische excessen, die door menige revolutionair op straat waren geïmiteerd, had Frankrijk vóór alles behoefte aan `orde', aldus Sainte-Beuve. En hijzelf nam zich voor daarvoor zijn best te doen in de literatuur; Louis Napoleon (na de staatsgreep van 1852, die de republiek in een keizerrijk veranderde, Napoleon III) zou de politiek voor zijn rekening nemen.

In 1849 begon Sainte-Beuve met zijn beroemde Causeries de lundi, die hij (op een onderbreking van vier jaar docentschap aan de École Normale Supérieure na) tot aan zijn dood heeft volgehouden, hoewel de naam na 1861 veranderde in Nouveaux lundis. Een revanche, vond hij zelf, van de serieuze kritiek op de `industriële literatuur', die de voorafgaande periode van de Juli-Monarchie had gekenmerkt. Daarin had de roman-feuilleton gedomineerd, die per regel werd betaald (wat te merken was aan de vaak ellenlange, inhoudsloze dialogen), en was de kritiek in het nauw gedreven door de advertenties, die vaak reclame maakten voor dezelfde boeken als die waarover de criticus zijn onafhankelijke oordeel moest vellen.

Natuurlijk is het niet zo dat die `industriële literatuur' na 1849 was verdwenen. We zitten er nog altijd middenin en nu misschien wel méér dan in de negentiende eeuw. Maar het heeft ook iets bemoedigends om de huidige klachten over het gevaar van de commercie in de letteren al bij Sainte-Beuve tegen te komen. Zelf besefte hij maar al te goed dat het onmogelijk was zich aan die literaire `industrialisatie' te onttrekken. Ook op dit punt koesterde Sainte-Beuve, die zichzelf nuchter omschreef als een `literaire arbeider', geen enkele illusie. Zonder zich erdoor te laten ontmoedigen.

Week-in, week-uit kweet hij zich van zijn taak, volgens een strak werkschema. Op dinsdag begon hij, samen met zijn secretaris, het materiaal te verzamelen voor zijn artikel. Want het was niet zo dat Sainte-Beuve enkel nieuwe poëzie en fictie van eigentijdse auteurs recenseerde; veel van zijn `lundis' gaan over historische, vaak minder bekende figuren (naar aanleiding van pas verschenen studies, memoires, correspondenties) en berusten deels op origineel onderzoek in archief en bibliotheek. Ondertussen probeerde hij al wat ideeën uit, terwijl het hele artikel op donderdag of vrijdag werd gedicteerd, waarna de secretaris het aan hem moest voorlezen.

Vervolgens werd de tekst gezet en 's zaterdags renden de bodes van de krant op en neer met drukproeven en correcties, totdat in de late zondagmiddag Sainte-Beuve de redactielokalen bezocht om de definitieve versie te controleren. Daarna was de criticus vrij en ging hij royaal uit dineren, met na afloop een bezoek aan het theater of het circus en een wandeling over de boulevards. Op maandag verscheen de krant en las heel Frankrijk, op de voet gevolgd door half Europa, zijn `causerie'. En op dinsdag begon alles weer van voorafaan.

Het resultaat is zonder meer overweldigend, door de omvang van de productie, de ernst van de inzet en de breedte van de eruditie, al springt wel een voorkeur voor de Franse zeventiende en achttiende eeuw in het oog. `Een kompleete Sainte-Beuve zal voor de nakomelingschap evenveel waard zijn, als thans voor vrienden van de studie der oudheid een kompleete Cicero', schreef Busken Huet vol bewondering. Is die nakomelingschap zelf criticus, dan is bovendien, naast enige jaloezie, verbijstering op zijn plaats. Hoe kreeg hij het in godsnaam voor elkaar?

Je kunt alleen maar je best doen en een voorbeeld aan hem nemen – uiteindelijk ook waar het de politiek betreft. Want toen Sainte-Beuve in 1865, op het toppunt van zijn roem, tot senator werd benoemd, gebruikte hij zijn positie niet om de keizer naar de mond te praten, maar om tot ontzetting van menigeen de vrijheid van meningsuiting en onderwijs te verdedigen. Alles in het belang van de literatuur, het enige belang dat deze illusieloze scepticus zijn levenlang heeft gediend zonder een spoor van `onbetrouwbaarheid'.

Er ligt geen courante editie van Sainte-Beuves verzamelde werken in de boekhandel, noch van de `Causeries de lundi' of de `Nouveaux Lundis'. Wel zijn er in dit herdenkingsjaar enkele heruitgaven verschenen, zoals van `Port Royal' in de Collection Bouquins van Laffont. In dezelfde Collection zijn ook de `Portraits Littéraires' heruitgegeven. In de Pochothèque van Livres de Poches verscheen `Panorama de la littérature française, een selectie van (soms ingekorte) artikelen over Franse auteurs uit de `Portraits en de Causeries'. En verder zijn er nieuwe uitgaven van Sainte-Beuves `Vie, poésies et pensées de Joseph Delorme' (Bartillat) en van zijn correspondentie met Hugo (Champion). Van `Mes poisons' bestond een al oudere editie bij Corti en van `Volupté' bij de Imprimerie Nationale, die beide nog beschikbaar zijn.