Vergeet Europa!

Films, romans en toneelstukken uit Europese landen worden pas universeel als ze een zekere mate van provincialisme kennen.

uropa bestaat niet en strekt zich uit tot aan de Kaukasus. Het middelpunt van dit continent is Vilnius, aangezien de lijn Reykjavik-Bakoe aldaar de lijn Lissabon-Archangelsk kruist. Niemand gelooft dat, behalve de inwoners van die bedwelmend mooie barokstad, waar je op een zonnige dag de slagroom van de daken kunt scheppen. Het geografische middelpunt is ons eigen dorp, zoals Edgar Reitz zo succesvol heeft aangetoond in zijn filmepos Heimat: alles speelt zich af in Schabbach. Europa is ons sublieme gezamenlijke verzinsel, dat behoort tot de nominale werkelijkheid der scholastici, tot de categorieën van `het kwaad' of `de schoonheid' – hoe uitbundig de reële Litouwse bouwkunst ook haar best doet om er occidentaal uit te zien, hoe luidkeels de reële Litouwse etymologie ook roept dat haar morfemen in alle talen van het Avondland rondzwerven.

Er is evenmin een Europese geschiedenis, al gaat zij terug tot het lineair B en hebben we onloochenbaar het een en ander samen meegemaakt. Zelfs de oorlogen die zo groot waren dat ze uit Europa puilden en wereldoorlogen genoemd moesten worden, zelfs die zijn fictie. Elk volk heeft zijn hoogstpersoonlijke Eerste en Tweede Wereldoorlog doorstaan, die nog hoogstpersoonlijker is geworden door de proefschriften van iedere nieuwe generatie historici, door de stapels romans, de confessies van stervende vaders, de volkse clichés, de nationalistische verdraaiingen enzovoorts. Heeft Nederland hetzelfde '40-'45 beleefd als Polen? Een absurde vraag, al was het maar omdat Polen al in '39 bezet werd. En een verwant land als België is juist zo dramatisch anders doordat de Grande Guerre daar wel heeft gewoed en hier niet.

`Geography blended with time equals destiny', dichtte Joseph Brodsky in 1978, toen er in Europa nog een muur stond. Sindsdien zijn we erin geslaagd nog veel meer Europa uit te vinden; maar zelfs het herstellen van de historische realiteit geheten Duitsland blijkt een reusachtig probleem te zijn: een kleine dosis tijd, nog geen halve eeuw, en een relatief gering gebiedsverlies, in Silezië en Oost-Pruisen, volstonden om een andere lotsbestemming te creëren, ja een ander volk. Sinds 1989 praten twee Duitse volkeren in dezelfde taal langs elkaar heen, mutatis mutandis zoals de Nederlanders en de Vlamingen dat ook doen.

Als de filosoof met de hamer en de overbodige letters in zijn naam gelijk heeft, is een volk een groep mensen die dezelfde kranten leest. Kranten, dat is de nog natte geschiedenis; Nietzsche suggereert dus dat een volk gedefinieerd wordt door zijn geschiedenis, voorzover het die onthoudt tenminste – al kun je ook de collectieve verdringing van minder aangename momenten als een volksconstituerende kracht aanmerken. Ofwel, om een Vlaamse strijdkreet te variëren: het geheugen is gans het volk.

Ongetwijfeld is het heilzaam als we kennisnemen van elkaars culturele productie, van elkaars uitdrukking van de eigen geschiedenis. Dat helpt niet tegen oorlogvoeren, maar het is in elk geval een onschuldig tijdverdrijf. Maar waarom zouden we in hemelsnaam proberen `Europese' kunst te maken?

Ik zou zeggen dat mijn afkeer van dat idee nogal evident is, maar telkens weer verbaast mij de blakende naïviteit van zovele hoogopgeleide Europaverbeteraars. Subsidies van onze geliefde Unie worden gebruikt voor allerlei onzinnige congressen, waar iedereen de beste culturele bedoelingen voor iedereens dovemansoren ontvouwt, in die vorm van gesublimeerde steenkool die iedereen voor Engels houdt.

Ik herhaal: waarom zouden we ons vermoeien met theoretische Europese kunst? Met die kunst zal het immers net zo gaan als met de maïs die de boeren in onze contreien in naam van Europa verbouwen: die blijft op de velden staan, want oogsten is duurder dan laten verrotten.

Ons imaginaire werelddeel gaat dus ten onder aan de bedoelingen; en ik weet dat zo goed doordat ik zelf met een zekere gretige weerzin meedoe aan iedere conferentie waarvoor ik maar uitgenodigd word. Zo kom ik nog eens ergens, en het biedt me de kans om datgene van nabij te bestuderen wat ik als het grootste intellectuele probleem van de Europese Unie beschouw: het verstoorde evenwicht tussen provincialisme en kosmopolitisme, tussen hart en intellect, zoals zich dat bijvoorbeeld uit in het recidiverende nationalistische stemgedrag in minstens een dozijn lidstaten.

Laat ik iets vertellen over mijn eigen ervaringen met het niet-bestaan van Europa – al was het maar uit liefde voor de anekdote, die het beste antidotum tegen de abstractie is.

Bij een cultureel treffen in Ierland, enkele jaren geleden, zette ik voor een gedistingeerd gezelschap uiteen dat de Ierse problematiek voor mij, buitenstaander, tamelijk navoelbaar was, aangezien ik in Vlaanderen woonde, een landstreek waar een vreemde taal sinds mensenheugenis als een metafoor van de macht functioneerde. Was het mijn Oxonian uitspraak van het Engels? Wilden zij niet door een continentaal aan hun pijn herinnerd worden? Welke grens overschreed ik? In elk geval deed mijn empathische, bijna sympathische benadering (want ik kon hun pijn navoelen) bepaald geen applaus op de Ierse handpalmen ontbloeien, integendeel. Verontwaardigd geschreeuw was mijn deel, waarvan de strekking luidde dat ik me niet tegen hun ziel aan moest bemoeien – Ieren hebben zoals bekend erg veel ziel.

In Vilnius peilde ik beleefd naar het antisemitisme onder mijn generatiegenoten, die zonder uitzondering een groot enthousiasme voor het Deutschtum tentoonspreidden. Een Litouwse dichter vroeg me bedroefd waarom ik toch zo achterdochtig was (`omdat ik een Hollandse moralist ben'), en daarop ontspon zich een gesprek dat ik elders in het Balticum ook al had gevoerd, in precies dezelfde semiotische verwarring over beschaving (Duits) en barbarij (Russisch). We zullen in de Europese Unie moeten leren leven met lidstaten die, na het uitmoorden van tamelijk veel medeburgers, de nazi's als bevrijders uit de tentakels der Sovjets hebben begroet.

Net als Ierland is ook Litouwen opgenomen in de kring van kroonlanden die rond de Brusselse troon zijn geschaard, zoals nog maar een eeuw geleden de helft van Midden-Europa rond het belangrijkste meubelstuk in Wenen. Nergens heb ik zozeer oog in oog gestaan met het Europese binnenland als in Sarajevo, de hoofdstad van een voormalig Oostenrijks kroonland. Dat was in 1998: het tweede millennium werd in de stad onder schot gehouden door troepen van de SFOR en in de kamer waar ik sliep, had een granaat een stuk muur weggeslagen. Er werd een monoloog van mijn hand, Het mens getiteld, in het zogenaamde oorlogstheater opgevoerd, het Sarajevski Ratni Teatar, waar Susan Sontag niet lang daarvoor nog Beckett had geregisseerd – ik was dus bij voorbaat al bereid het Bosnische toneel veel te vergeven.

In Het mens is een oudere Vlaamse actrice aan het woord, maar tot mijn stomme verbazing verscheen er een jongeman in vrouwenkleren op het toneel, die om de zoveel regels gesproken tekst in oude Duitse schlagers uitbarstte. Weliswaar was ik erg trots dat mijn werk nu ook tot de Balkan was doorgedrongen, maar vanwaar deze travestie, wat precies rechtvaardigde dit cabaret? Na afloop legde de vrouwelijke regisseur mij uit dat `de achterliggende gedachte' de vraag naar de Bosnische identiteit was: niemand in dat ongelukkige land wist nog wie of wat hij was, en daarom had men besloten de zijnsvraag in mijn tekst te accentueren; ook het woord `gender-identiteit' viel daarbij. Met mijn stuk had het allemaal niets te maken, maar de bewerking werd een hit, en voor ik het wist tolde mijn hoofd van de zoete intoxicatie die een mengsel van roem en pruimenjenever teweegbracht.

De toneelkunst! Laten we ons over de toneelkunst buigen, als de provincialen en dialectsprekers die we in het Europa van tegenwoordig zijn. Ooit was het Nederduits de lingua franca van het hele Oostzeegebied, maar de dagen dat de originele Vondel werd gespeeld tot in de landen waar het barnsteen vandaan komt, liggen helaas drie eeuwen achter ons. In het huidige tijdsgewricht dringt deze vraag zich op: hoe kunnen we onze toneelstukken naar andere delen van het schiereiland exporteren, zonder met hoon overladen te worden, zoals Maria Goos onlangs in het hooghartige Londen is overkomen?

Mijn antwoord luidt: vergeet Londen! Londen is dodelijk vermoeiend, net als Parijs. En waarom zouden we naar `de grote Europese traditie' moeten kijken, naar Shakespeare en Racine, als zij ook niet naar ons willen kijken? Vergeet die dyspeptische theedrinkers toch, Maria, kind! Vergeet die bescheten Fransen! Alleen andere kleine cultuurgebieden zijn in ons geïnteresseerd, want die weten wat het betekent om klein te zijn: de enige kans op een geslaagde culturele uitwisseling is het wederzijdse besef tot een dwergnatie te behoren. Liever verkeerd begrepen door de Balkan dan weggehoond door Albion. Je moet een provinciaal zijn om een Europeaan te kunnen worden: ook dat is een oorlogskreet die uit de Vlaamse geschiedenis opstijgt.

En Duitsland dan, zal iemand tegenwerpen? Geniet Luk Perceval soms geen aanzien in het oosten? Heeft Ten oorlog daar soms geen bijval geoogst?

Over de Teutoonse smaak laat ik me niet uit, maar me dunkt dat het hier eerst en vooral de succesvolle export van een regisseur betreft, en niet zozeer van een toneelschrijver. Maar ik geef toe dat ik het werk van Perceval in het voorbije decennium van een ondraaglijk narcisme ben gaan vinden; en voorzover hij met dat kolossale ego van hem de tekst niet verplettert, doet hij wel denken aan Edmund Burkes uitspraak over linkse wereldverbeteraars: `By hating vices too much, they come to love men too little.' In Aars was de tekst grotendeels onverstaanbaar, maar in Denemarken vonden ze dat prachtig, zo verklaarde het regie-genie in een interview. De tekst van Andromak – `naar Racine' zoals dat dan altijd heet, al zou `tegen Racine' correcter zijn – was door hem behandeld alsof hij een appel had pogen te schillen met een hakbijl.

Let wel, ik ben niet per se een tegenstander van bewerkingen, nog los van het feit dat ik me er zelf ook weleens aan bezondigd heb. Maar ik verafschuw die manie van regisseurs om op literaire werken te reageren als een nudist op kleren. Bovendien ben ik de mening toegedaan dat teksten de beste garantie vormen voor een behoorlijke communicatie tussen de Europese volkeren, zowel op papier als op de planken. Ik pleit dus voor teksttheater. Mime is alleraardigst voor kinderen en dans is heel mooi voor wie graag naar meisjes op legerschoeisel of jongens met een geprononceerd geslacht kijkt, maar echt bijdragen tot de uitwisseling van ideeën en gevoeligheden doen ze geloof ik niet.

Het probleem is natuurlijk dat `tekst' zich niet altijd even makkelijk van de ene provincie naar de andere laat verhuizen. Regies, concepten, daarvoor geldt in globo hetzelfde als voor schilderijen, de taal der beelden is betrekkelijk universeel in de westerse wereld. Maar tekst behoeft dikwijls velerlei voetnoten om allusies, namen, historische feiten en dergelijke meer te verklaren voor toeschouwers die niet zijn opgegroeid in dezelfde cultureel-historische omgeving als de auteur. Zelfs Nederland en Vlaanderen, twee moerassen gescheiden door één taal, hebben bij elkaars teksten soms verklarende aantekeningen nodig. Ik denk bijvoorbeeld niet dat de gemiddelde noorderling überhaupt weet wie de hoofdpersoon in Het leven en de werken van Leopold II van Hugo Claus is. En om nog eens uit mijn eigen ervaring te putten (wie vertrouwd is met de regel dat je een brief niet met `ik' mag beginnen, mag een brief met `ik' beginnen): in Het mens herinnert de actrice zich het huwelijkshandboek van katholieke snit dat op het nachtkastje van haar ouders lag, de klassieker Le mariage parfait, maar toen het stuk in Amsterdam werd opgevoerd, bleken sommige jeugdige toeschouwers niet te begrijpen wat die boektitel betekende.

Er bestaan minstens een stuk of vijftig Europa's, voilà Europa. Tussen al die Europa's onderling dienen zoveel mogelijk films, romans en toneelstukken te worden uitgewisseld, waarbij het principe geldt dat kunstwerken een zeker provincialisme behoeven om universeel te kunnen zijn – het is bijna gênant dat nog te moeten zeggen. Natuurlijk kent iedere halfontwikkelde de hoofdmomenten in de Duitse geschiedenis van de twintigste eeuw, maar wat Heimat tot zo'n meesterwerk maakt, is nu juist de uitvergroting van het plaatselijke, provinciale, schabbachiaanse.

God behoede ons dus voor `Europese kunst' die `de problematiek en kansen van Europa bereflecteert' – ik vis die laatste formulering uit de brief waarin ik voor de internationale theaterdagen in Maastricht werd uitgenodigd. Heiner Müllers De Hamletmachine wordt daarin geprezen als `een indrukwekkende uitzondering' op het verheugende feit dat er nauwelijks meta-Europees toneel bestaat. Heiner Müller! De gepensioneerde leden van de Staatssicherheitsdienst zouden glimmen van trots als deze loftuiting hun ter ore kwam.

Nee, Europees bedoeld theater, dat wordt ongetwijfeld iets even gedrochtelijks als de Europese superstaat. Hoe harder je probeert een wezen te creëren uit de lijken van de Europese staten, hoe monsterlijker je schepping wordt.

Deze lezing werd geschreven t.g.v. de Internationale Theaterdagen in Maastricht.