Modernisering zorg komt steeds dichterbij

Minister Hoogervorst neemt het zorgstelsel op de schop. De sanering van de zorgsector lijkt kansrijker dan ooit. Maar er moet nog wel het een en ander gebeuren.

Minister Hoogervorst (Volksgezondheid, VVD) is op dit moment nog niet verder dan zijn verre voorganger staatssecretaris Simons (PvdA).Die probeerde zo'n dertien jaar geleden de lappendeken aan ziektekostenverzekeringen, waaronder het ziekenfonds, te saneren.

Ook Simons had zijn `volksverzekering' al door de Tweede Kamer geloodst. Maar in de Eerste Kamer stuitte hij op verzet. Verzekeraars en werkgevers zagen niets in Simons' plan en wisten met name het CDA (dat `volksverzekering' toen een vies woord vond) voor hun karretje te spannen. En zo ging het plan-Simons ten onder, ook al omdat de toenmalige minister-president Lubbers (CDA) de handen ervan af trok.

Voor Hoogervorst lijkt de toekomst zonniger – met dank overigens aan Simons. Diens plan sneuvelde dan wel, maar sindsdien is er al wel veel veranderd in het functioneren van verzekeraars, zoals Simons beoogde. Anders dan toen zitten inmiddels veel ziekenfondsen met andere zorgverzekeraars in een concern, ze zijn risicodragend geworden, particuliere verzekeraars voeren in toenemende mate publieke taken uit. Het past in het streven van Hoogervorst om de zorgverzekeraars niet alleen de regie te geven in het zorgstelsel, maar ze daar ook met de (financiële) gevolgen van op te zadelen.

Bovendien is de publieke opinie gunstiger dan ten tijde van het plan-Simons: het besef dat het zorgstelsel aan een ingrijpende modernisering toe is, wordt breed gedeeld. Bovendien lijkt het verzet van bedrijfsleven en verzekeraars tegen het nieuwe zorgstelsel enigszins tandeloos: het voorstel van Hoogervorst leunt immers op het advies van de Sociaal-Economische Raad over de basisverzekering.

Alleen de verzekeraars zijn nog actief in de lobby. Het Verbond van verzekeraars wist via het CDA bijvoorbeeld te bereiken dat Hoogervorst koos voor een privaat stelsel met publieke waarborgen voor het sociale karakter. Dat was ook zichtbaar in de vergaderzaal, waar de lobbyist van het Verbond tijdens het plenaire debat deze week schouder aan schouder stond met de fractie-assistenten van het CDA.

Het plenaire debat, woensdag, ging overigens nauwelijks over de uitgangspunten van de nieuwe verzekeringswet. Eigenlijk maakte alleen PvdA'er Heemskerk daar werk van - en in mindere mate Bakker (D66) en Schipper (VVD).

Het debat verzandde in details. Opvallend was daarbij het optreden van het CDA.Deze fractie zette twee woordvoerders in voor wie de zorgsector vrijwel onbekend terrein was. Het leidde er toe dat de ene (Smilde) zich vooral druk maakte over de werking van de geschillencommissie en de andere (Omtzigt) van Hoogervorst een uitgebreid college staathuishoudkunde kreeg. Dit laatste gebeurde bij de bespreking van de motie waarmee Omtzigt steeds voor vier jaar wilde vastleggen hoe hoog de compensatie voor de lagere inkomensgroepen van de nominale premie zou moeten zijn. Hoogervorst doceerde dat de christendemocraat deze groepen daarmee in een periode waarin de economie groeit, of wanneer er sprake is van een hoge inflatie, benadeelt.

De kans dat Hoogervorst slaagt waar Simons faalde en de wet dus ook door de Eerste Kamer weet te loodsen is niet gering.

Hij weet zich gesteund door het regeerakkoord waarin de herziening van het stelsel expliciet is opgenomen. Hoogervorst kan voluit rekenen op steun van de belangrijkste ministers in het kabinet, waaronder dus de minister-president. Hij heeft hen voortdurend bij de voorbereiding van het wetsvoorstel betrokken.

Als de nieuwe zorgverzekeringswet in het staatsblad verschijnt heeft Hoogervorst de meest aansprekende verandering op zijn naam staan. Maar die wet alleen brengt nog geen modernisering in de zorg. Daarvoor is het nodig dat er een einde komt aan de strakke regie vanuit Den Haag en de verschillende overheidsdiensten met de dagelijkse gang van zaken in de sector. Hoogervorst heeft op dit terrein eerder al belangrijke stappen gezet: de contracteerplicht is opgeheven, de vaste tarieven verdwijnen geleidelijk aan, en ook de gedetailleerde bemoeienis met de inrichting van ziekenhuizen verdwijnt. Ook kan de minister gemakkelijker ingrijpen als in de praktijk niet aan de randvoorwaarden wordt voldaan en bijvoorbeeld een ziekenhuis een lokatie wil sluiten die om redenen van algemeen belang open moet blijven.

Al die maatregelen hebben overigens betrekking op maar een deel van die sector: globaal gezegd het deel dat zich op behandeling en genezing richt. Daar blijkt nu al het nut van verzekeraars die financieel belang hebben bij de gang van zaken. De kosten stijgen daar minder hard dan in het andere deel, de uit de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) gefinancierde verzorging door onder meer thuiszorg, verpleeghuizen en inrichtingen. Hier zijn verzekeraars slechts uitvoerders van de wet. Alle kosten worden uit de centrale kas gefinancierd. Waar dit toe leidt, werd afgelopen weken nog eens duidelijk: er was ophef over de stijging van de (nominale) premie bij de ziekenfondsen (gemiddeld ongeveer 380 euro per jaar). Dat is bijna het bedrag dat de nog lang niet modale werknemer nu elke maand voor die AWBZ betaalt.