IJskonijn op schrijverstroon

In een interview vroeg het weekblad Die Zeit op 7 oktober dit jaar aan de journalist en historicus Joachim Fest (1926) of zijn mening over Hitler in de loop van de tijd was veranderd. Aanleiding voor die vraag was het succes van Der Untergang, de film naar het twee jaar geleden verschenen boek van Fest met dezelfde titel. De schrijver, die dertig jaar geleden al een duizend bladzijden tellende biografie van Hitler publiceerde, antwoordde zonder aarzeling ontkennend. In beide boeken had Fest naar zijn zeggen Hitler bekeken zoals een bioloog door zijn microscoop naar een zeldzaam reptiel tuurt.

In Begegnungen, herinneringen aan zijn vriendschappen met een aantal bekende Duitsers, past Fest vreemd genoeg hetzelfde procedé toe. Zijn verslag van de `ontmoetingen' met onder anderen Sebastian Haffner, Ulrike Meinhof, Hannah Arendt en Golo Mann is een intellectuele oefening die deze personen reduceert tot antropologische wezens, in de ogen van Fest uitsluitend interessant om hun verhouding tot het geboorteland Duitsland. Fest laat zich kennen als een specialist in onpersoonlijkheid. Zijn herinneringen zijn een gedistantieerde exercitie die tot doel heeft de plaats te bepalen van deze `naaste en verre' vrienden in het debat over de Duitse volksaard.

Ondanks deze beperking zijn vooral de portretten van Sebastian Haffner en Ulrike Meinhof boeiend. Fest beschrijft Haffner als een man die als conversatietalent nog meer indruk maakte dan als schrijver. Met zijn scherpe en nonchalant rondgestrooide analyses beheerste hij elk gezelschap, schrijft Fest vol bewondering. Dat Haffner vaak meer met zichzelf dan met anderen in gesprek ging, is voor Fest geen bezwaar, integendeel. De schrijver van Duitsland 1939: Jekyll en Hyde en Aantekeningen bij Hitler, boeken die de aandacht vestigen op de enorme populariteit van Hitler tijdens de jaren dertig, blijkt in woord nog negatiever over het Duitse volk te hebben geoordeeld dan in geschrifte. Duitsers, aldus Haffner, zijn niet te vertrouwen.

Onder het masker van de naoorlogse democratie ging volgens hem in Duitsland nog altijd `het oude rietje of de gekromde rug' schuil. Mensen die zich afvroegen waarom het volk van Goethe en Schiller in staat was geweest tot de nazistische barbarij, hadden volgens Haffner de verkeerde boeken gelezen. In het werk van hun tijdgenoot Heinrich von Kleist wordt al de huiveringwekkende mentaliteit geportretteerd die het nazisme mogelijk maakte. Haffner noemt in een gesprek met Fest het verhaal waarin een vrouw tegen haar met executie bedreigde geliefde uitroept: als twaalf kogels je zullen doorboren, dan zal ik des te meer van je houden en uitroepen: `Du gefällst mir!' Kleist was volgens Haffner in staat geweest Auschwitz te beschrijven als een Duits-joodse liefdesgeschiedenis.

In de boeken van Haffner worden de Duitsers afgeschilderd als een labiel, wereldvreemd, onvoorspelbaar en naar het extreme neigend volk. Het boeiende van Haffner was volgens Fest dat hij ook zelf grossierde in de eigenschappen die hij bij zijn landgenoten aan de kaak stelde. Haffner was een radicale romanticus die vaak van opvattingen veranderde. Hij was voor en tegen de Koude Oorlog, voor en tegen de Duitse eenwording en vooral ook voor en tegen de studentenopstand van '68. Dat laatste was Haffner zelfs tegelijkertijd. Hij noemde de radicale studenten `fascisten in jeans', maar werd zozeer aangestoken door hun revolutionaire pathos dat hij tot verbazing van Fest hun vulgair-marxistische jargon begon over te nemen. Ook die gril was echter weer snel over. `Ik heb de neiging', zo bekende Haffner openhartig, `om te overdrijven en me mee te laten slepen, maar ik kan niet anders'. De Duitse geschiedenis waarover hij zoveel prachtige boeken schreef, typeerde hij in een gesprek met Fest als het speelgoed waarop hij zijn fantasie kon uitleven.

Zowel Haffner als Fest onderhield persoonlijke betrekkingen met Ulrike Meinhof. Zij was in de jaren zestig columniste van het links-radicale weekblad konkret, terwijl Fest furore maakte als presentator van het onafhankelijke televisieprogramma `Panorama'. Zijn gesprekken met Meinhof, meestal in cafés, waren voor hem vooral een confrontatie met de fanatieke zelfverzekerdheid die bij Meinhof later, toen zij met Andreas Baader de Rote Armee Fraktion oprichtte, gewelddadige vormen aannam. Denken was voor haar, aldus Fest, geen analytische kwestie maar een morele zoektocht die stoelde op een typisch Duitse Realitätsverneinung. Ulrike Meinhof was niet geïnteresseerd in de werkelijkheid. Zij sloot zich op in de dogmatische bevrijdingsstrijd tegen de laatkapitalistische uitbuitersstaat, tot de dood erop volgde.

Ook in dit portret ontbreekt de persoonlijke toets. Elke interesse in de vraag wat voor iemand Ulrike Meinhof was, ontbreekt. Zoals Fest ook zijn eigen persoon in dit boek volledig buiten schot houdt. Als een Pruisisch ijskonijn zit hij op zijn essayistische troon, als een afstandelijke scepticus observeert en noteert hij. In de inleiding van Begegnungen schrijft hij dat dit boek ook `enige trekken van een zelfportret' bevat. Maar hij laat het bij de terloopse opmerkingen dat hij in het oostelijke deel van Berlijn is opgegroeid en de oorlog nog net als soldaat heeft meegemaakt.

Wie Fest wil leren kennen moet niet zijn eigen Begegnungen lezen, maar het portret dat Marcel Reich-Ranicki in Mein Leben (1999) van hem schetst. Als uitgever van de Frankfurter Allgemeine Zeitung benoemde Fest hem in 1973 tot literatuurredacteur. Nauwelijks bij de krant gearriveerd werd Reich-Ranicki uitgenodigd voor de presentatie van de door Fest geschreven Hitler-biografie. Reich-Ranicki, die als vervolgde jood de oorlog ternauwernood had overleefd, merkte tot zijn verbijstering dat Fest voor dit partijtje ook Albert Speer had gevraagd, die in 1966 was vrijgekomen na in Neurenberg levenslang te hebben gekregen. Speer werd aan Reich-Ranicki voorgesteld alsof dit de normaalste zaak van de wereld was.

Tijdens de meer dan twintig jaar samenwerking bij de FAZ leerde Reich-Ranicki zijn chef kennen als ongrijpbaar en ongenaakbaar, hyperintelligent en zich altijd schuil houdend achter vormelijkheid. In hetzelfde jaar dat Reich-Ranicki zijn memoires uitbracht, publiceerde Fest een biografie van Albert Speer. Deze intimus van Hitler was volgens zijn biograaf een gevoelsarme man wiens woorden van heel ver leken te komen, alsof hij er zelf niet bij betrokken was. De typering die Fest van Speer geeft heeft akelig veel weg van een zelfportret.

Joachim Fest: Begegnungen. Über nahe und ferne Freunde. Rowohlt, 382 blz. €19,90