Honderd procent katoen

NEW YORK/MÜNCHEN/WENEN. God heeft mij niet geschapen om babysitter te zijn. Hij had andere plannen met mij.

Zo sprak ik regelmatig, in de badkamer, op straat, in taxi's en restaurants. Er kwam weer eens niets van de plannen van God terecht. Alles nam een andere wending. God had zich schromelijk vergist.

's Ochtends werd ik wakker van de gesprekken die Baby Rat met zichzelf voerde, 's middags vervoerde ik Baby Rat naar een restaurant, waar ik ontdekte dat zijn stemgeluid het geluid van de hedendaagse restaurantmuziek overstemde en waar ik moet toegeven dat hij vrouwen en mannen wist te charmeren door te zijn. Hij had niets anders nodig dan zijn ogen en zijn lichaam. Zijn naakte existentie bracht mij in contact met uiteenlopende vreemdelingen die zich over hem, en dus over mij, bogen, kirrende geluidjes maakten in de hoop op een glimlach van Baby Rat. Soms was hij gul, andere dagen was hij niet tot een glimlach te vermurwen en staarde hij naar de vreemdeling alsof hij in de afgrond keek. Soms informeerden de vreemdelingen waar zijn pyjama was aangeschaft, of het honderd procent katoen was.

En ik werd een deskundige in de wereld van honderd procent katoen. Een man die een vrouw zoekt, heeft een baby of een hond nodig. Maar ik zocht niet, ik deed slechts mijn plicht. Ik had A gezegd, daarom moest ik ook B zeggen, en ik sprak: ja, hij is groot voor vier maanden. En soms, na enig aandringen, gaf ik toe: ik ben niet de vader.

Zo werd ik mysterieus. Niet mijn kunst of mijn zijn, de stilte waarin ik mij zo gaarne hulde, verschaft mij dat mysterieuze aura, nee, het piepjonge vlees. De man concurreert niet met de baarmoeder maar met de dood, ontdekte ik eindelijk. Beter laat dan nooit. Het kunstwerk is niets dan gesublimeerde vernietigingsdrang, de verachting voor het leven, die fatale combinatie van angst en overmoed.

En vervolgens begon Baby Rat te graaien en naar zich toe te trekken. Het stadium van voelen was begonnen, voelen en in de mond stoppen.

Daar zit je dan met je levensverachting, je kunstwerk, en Baby Rat graait in de vegetarische hamburger, gooit de hamburger op de grond, gooit een glas wijn op de grond. Hoe meer er op de grond kan worden gegooid hoe gelukkiger hij is. In de mond stoppen en weggooien, dat is zijn wereld.

In restaurants doen ze wel alsof ze dat prettig vinden, maar het is schijn, het is beleefdheid die op springen staat. Hoeveel glazen mogen er per baby sneuvelen? En dan valt het je op, zo heel veel baby's worden niet naar bistro's en restaurants gesleept, maar jij levensverachter en surrogaatvader, die de keuken weigert te gebruiken, die alles weigert te gebruiken, moet zich natuurlijk weer niets van de wetten van de kinderkamer en het gezin aantrekken.

En daar komt nauwelijks te overwinnen schaamte van.

Een surrogaatvader zit in een plas wijn met baby en hamburger op schoot, er wordt gedweild, er wordt gezongen, er wordt gezucht.

En ik, ik rook de baby, en ik zei: ,,Dit gaat toch niet Baby Rat, je mag dan een man zijn en de zoon van je vader die regelmatig met meubilair gooit, maar je bent nog te jong om alles te vernietigen. Jouw tijd is nog niet gekomen.''

En tegen de moeder zei ik: ,,Kijk daar zitten we, de heilige Drie-eenheid. Maar wat voor Drie-eenheid. De baby is niet mijn zoon, jij bent niet mijn vrouw en ik ben niet jouw man. Wij zijn de ontkenning en de onttakeling van de heilige Drie-eenheid. En nu weet ik ook waarom ik je nog in mijn leven tolereer. Omdat je eigenlijk een man bent. Jouw haat tegen de wereld en het leven is mannenhaat. Daarom heb je ook deze constructie bedacht, daarom heb je in puberale razernij een kind gemaakt met een straatjongen, om de wereld uit te lachen, om iedereen belachelijk te maken, om het gezin te verkrachten. En ik was jouw behulpzame bondgenoot. Jij wilde moeder worden en kind blijven tegelijkertijd, want eigenlijk haat je alle moeders zoals ik alle moeders haat. Jij wilde niet meedoen aan de wereld. En kijk wat ervan komt.''

Zo liepen wij naar huis, Baby Rat in de arm, de kinderwagen leeg. De kinderwagen was Baby Rat niet knus en warm genoeg, hij wilde het menselijke vlees, anders zette hij het op een schreeuwen dat je door merg en been ging. Vier maanden oud en nu al ontroostbaar. Hij was geen Baby Rat maar Koning Rat. Soms wees hij zelfs de tepel af.

Maar 's avonds om zeven uur sliep hij in, in het grote bed, zijn armen gespreid, een gelukzalige glimlach op zijn gezicht, een tevreden koning, een bedachtzame manipulator, de afwijzer van kinderwagens en spenen. De verwende.

Ik kwam dan in actie en begon te typen en werd weer de levensverachter, de ware identiteit van de man bestaat toch uit verachten. Ik mocht weer een uur of zes concurreren met de dood, de taak van elk kunstwerk, nog onsterfelijker willen zijn dan de dood zelf.

Op een woensdagavond vertrokken Baby Rat en zijn moeder. In de taxi op weg naar het vliegtuig krijste hij harder dan ooit tevoren, alsof hij voorvoelde dat zijn mannenslaaf hem nu even niet meer zou dienen en hij zou zijn overgeleverd aan zijn moeder en zijn moeder alleen.

Het afscheid verliep roerend maar snel.

En ik keerde terug naar de stad, omdat ik nog een afspraak had met een potentiële babysitter van het vrouwelijk geslacht.

De levensverachter moest even bijkomen van de baby, in gezelschap van een vrouw die nog te jong was om zich te willen voortplanten. Rust in gezelschap van hen die niet aan de moeder herinneren, die nog angstaanjagender is dan de dood.

En daarna vloog ik naar de babyloze wereld van de kunst. Opgelucht en drie kilo afgevallen. Sjouwen met een baby is beter dan gewichtheffen.

Ik interviewde in München de regisseur van de serie Heimat, gaf mij over aan bespiegelingen over de realiteit en sloot mij 's avonds op in een knusse eenpersoonskamer van hotel Crystal.

Alles was weer zoals het hoort. Onpersoonlijk als een minibar, tijdelijk als een tussenstop.

Van München ging het door naar Wenen. Ach Wenen, de nevel, de kerstmarkt, de kinderloze vrouwen, de tragische geschiedenis. Elke ontmoeting een noodlanding.

Zo komt men dan toch tot inzicht in de nevel, tussen de stalletjes en het hooi van Betlehem. Roerend zijn de versieringen, maar het moest gezegd, het kon niet langer worden ontkend, als ik landde was het uit nood.

En als ik eenmaal op de grond was aangekomen en tot stilstand was gekomen, wilde ik niets liever dan de weer de lucht in.

Zo was ik niet alleen de levensverachter, gespecialiseerd in alle verachting, maar ook de grote teleursteller.

Men dacht dat ik was geland om te blijven, maar waar ik ook landde, ik deed het slechts om weer weg te gaan. Dat hele landen was niets dan een excuus om weer op te stijgen, om een afscheid mogelijk te maken, vol tranen en gebrul. Weg van de vrouw die ik als levensverachter wel moest verachten.

Het eeuwige verwijt: `jij hebt mij niet nodig.'

Ik had niet genoeg aan het onsterfelijke kunstwerk dat ik zo driftig aan het timmeren was. Er kwam meer bij kijken maar niet dat. De heilige Drie-eenheid had ik al in mijn leven, die kwam af en toe op bezoek en vloog dan weer weg, zoals het heilige geesten betaamt. Opdat ik mij kon wijden aan concurrentie met de dood. Aan ontmanteling.

Ik wacht niet op de stem die zegt ,,Ik houd van je'', maar op de stem die zegt ,,Wij zijn ziek.''

Want ziekte wil ik zijn, ziekte waaraan anderen lijden. Zeg maar gerust virus.