Hokjesgeest

Aan de afbakening van vakgebieden, etikettenplakken en hokjesgeest, allemaal gevolgen van het gebruik van de menselijke taal, heb ik nooit veel waarde gehecht. Als Menno Lievers in zijn bespreking van mijn boek Drie bergen en zeven rivieren (Boeken, 12.11.04) mij dus uit de filosofie wil duwen en in de culturele antropologie (dat doet hij heel beleefd maar zonder de antropologen er in te kennen), dan is dat mij best. Toch moet ik opmerken dat zelfs filosofen zich niet altijd in hokjes laten opsluiten. Voorbeelden zijn Aristoteles, Leibniz, Nietzsche en Bertrand Russell, om niet te spreken van Michel Foucault die schreef over homoseksualiteit. Lievers noemt Foucault niet en verklaart met nadruk dat homoseksualiteit een onderwerp is waar hij niets van weet. Ik wil onderstrepen dat ik Foucaults theorieën aan een kritische analyse heb onderworpen door ze te plaatsen in het Aziatische perspectief waartoe ze behoren aangezien Europa ook in dat opzicht een schiereiland van Azië is. Dat perspectief is als locus van homoseksualiteit vrijwel onontgonnen en ik heb het daarom anekdotisch behandeld. Het is niet duidelijk waarom de heer Lievers mij die vrijblijvendheid kwalijk neemt, wanneer hij zelf zegt niets van het onderwerp te weten.

Azië is groot maar Lievers duwt verder: liefst wil hij mij opsluiten in Zuid- en Zuidoost-Azië of in het gebied van `Afghanistan, Pakistan, India, Nepal, Tibet en China'. Dat laat mij nogal wat bewegingsruimte maar is een onverdiend compliment, want er worden meer landen in genoemd dan waar ik iets over weet. Er bestaat trouwens geen enkel hokje waarin je de twee kolossen kunt proppen waarvan de toekomst van de mensheid afhangt: China en India. Ik tracht nog iets meer te laten zien: het leven van mensen door de millennia heen wordt bepaald door rivieren, bergketens en oceanen, meer dan beschavingen of religies, en uiteraard meer dan door de huidige politieke grenzen.

Dan iets over mijn centrale essay over het `taaldier', dat wil zeggen de mens. Lievers zegt: we wisten het al, en we wisten al hoe Staal erover denkt. Hier zijn drie voorbeelden van wat nieuw is in dat essay, Lievers niet kon weten en blijkbaar nog niet ziet. Ten eerste: de stelling dat de oneindigheid van de taal niet alleen te danken is aan een typische vorm van recursiviteit, maar aan een typische correllatie tussen syntactische en semantische recursiviteit. Ten tweede: de discussie van overeenkomsten en verschillen tussen de syntaxis van de menselijke taal en het zingen van vogels (volgens Lievers een `wetenswaardigheid'). Ten derde: de parallelle discussie over natuurlijke en kunstmatige talen die concludeert dat kunstmatige talen ook natuurlijk zijn. Alle drie nooit eerder gepubliceerd, met uitzondering van mijn kritiek op Chomsky betreffende het onderscheid tussen communicatie en kennis waarover ik schreef in 2001 in een Amerikaans tijdschrift; en, ter perse, de Proceedings van een internationale workshop over de oorsprong van kunstmatige talen. Niets staat in de bibliografie, die helaas evenals een index in mijn boek ontbreekt, zoals de recensent terecht signaleert; maar daaraan wordt gewerkt.

Voor de Grieken gold wat Nietzsche schreef: zij pakten de lans op waar die lag en wierpen hem verder. De Europese Middeleeuwen waren gefascineerd door de Arabische filosofen. De huidige Euro-Amerikaanse filosofie zit merendeels in haar hokje. Daarvoor bestaat geen enkel excuus, aangezien er uitstekende vertalingen en studies bestaan van andere soorten filosofie. De meeste wetenschappen zijn minder hokvast en dat is een onderwerp waarover ik graag redeneer en speculeer. Menno Lievers ziet dat liever niet, want het gaat niet alleen in tegen die toch zo keurige hokjesgeest, maar lijkt een beetje op filosofie alhoewel van een andere soort.