Het lot van een soepkip

,,Mien opa woonde bie ons in,'' zei Ede Staal in de allerlaatste column die hij, vlak voor zijn dood, voorlas op Radio Noord. Zo bleef hij zich tot op het laatste moment verschuilen achter een kleine, maar essentiële verdraaiing. In werkelijkheid was het niet opa die bij het gezin Staal inwoonde – het was juist andersom: het gezin trok na de oorlog bij opa in. Maar als de columnist de waarheid had verteld, had hij ook moeten uitleggen hoe dat kwam. Dat het pure noodzaak was geweest, omdat zijn vader in die tijd in de gevangenis zat, als een landverrader met een moord op zijn geweten. En dat geheim heeft Ede Staal zijn leven lang bewaard.

Geef mie de nacht heet de biografie, die Henk van Middelaar over de Groningse troubadour heeft geschreven, naar een van diens persoonlijkste liedjes: ,,Ik denk mien leven in n vogelvlucht / geef mie de nacht din heb ik onderdak / doarom, doarom zing ik...'' In de nacht kon Staal zich verschuilen, vermoedt de biograaf – beter dan overdag. Niet voor niets doemt hij uit dit relaas op als een schuwe man, die weliswaar de populairste Groningse liedjeszanger aller tijden was, maar die altijd vasthield aan het adagium uit zijn jeugd: niet opvallen. `Met een vader in de gevangenis is hij kwetsbaar,' aldus Van Middelaar. `Zo lang hij geen fouten maakt, kunnen ze hem niks maken, maar als hij de aandacht opeist, neemt hij risico's. Iedereen mag fouten maken, maar een kind van Boele Staal niet.'

De eerste helft is vrijwel geheel gewijd aan de vader, die tijdens de bezetting aan de Duitse kant stond en in de laatste oorlogsmaanden een boer doodschoot die onderduikers had. Maar Van Middelaar heeft voldoende troeven in handen om die indeling te rechtvaardigen. Zijn met veel inlevingsvermogen geschreven verhaal wemelt van de veelbetekenende details, die aantonen hoe Staal junior werd getekend door de complexe relatie met die foute vader. In zijn houding tegenover anderen, in zijn werk als leraar, en in zijn liedjes. Hij was `een man met verdaipens' – iemand die zich niet snel liet kennen.

De rest van het land kent Ede Staal (1941-1986) pas sinds de tv-documentaire die Van Middelaar acht jaar geleden over hem maakte, en sinds de film De Poolse bruid, waarin het lege Groningse landschap des te meer indruk maakte door zijn wondermooie lied `t Hogelaand. Dat hij tijdens zijn leven zelden buiten de provinciegrenzen kwam, had niet alleen te maken met een knoestige stijfkoppigheid, maar ook met zijn angst voor het nemen van risico`s. Zelf zei hij, in een interview, over zijn contacten met een platenmaatschappij in het westen des lands: ,,De schijnwereld van de platenbusiness staat me tegen. In zo'n, wat ik noem, muzikale legbatterij waar ik de grootste eieren moet leggen, kan ik niet werken. Bij muzikale rui, als er iets niet loopt zoals zij willen, wacht je het lot van een soepkip.''

In zijn eigen provincie zijn er nu fuchsia's naar Ede Staal genoemd, een wandelroute, een fietsroute en een beeld van een vuurtoren op de dijk bij Delfzijl. En van zijn twee cd's zijn meer dan 160.000 exemplaren verkocht. Hij staat zelfs bekend als de Jacques Brel van Groningen. De eerste die hem met de Franse chansonnier vergeleek, was de baas van een opnamestudio waar Staal in 1986 zijn laatste liedjes op de plaat zette. ,,Je lijkt Jacques Brel wel,'' zei de man. ,,Dat klopt,'' antwoordde Staal. ,,Ik heb dezelfde ziekte.'' Hij stierf, net als Brel, aan kanker.

Henk van Middelaar: Geef mie de nacht. Ede Staal, een biografie. Luminis, 224 blz. €24,50