Het gemis is groot

Behalve een oranje polsbandje hebben Nederlanders geen duurzame symbolen die het kunnen opnemen tegen de symboliek van de terreur. De kunst zou uitkomst moeten bieden.

Prins Willem-Alexander, premier Balkenende, Thom Hoffman en andere bekende Nederlanders hebben het goede voorbeeld al gegeven. Nu is het aan ons, het Nederlandse volk, om ook een oranje polsbandje te gaan dragen. Voor de kosten hoeven we het niet te laten. Voor één euro koop je een nieuw nationaal symbool dat voor het hoogste goed staat: Tolerantie, Dialoog, Samenleven, Hoop. De tekst die erop is geprint, drukt op een ongedwongen manier ook nog een gevoel van verbintenis uit met de Nederlandse natie en de rest van de wereld, in alle diversiteit: `Respect2All'. Zoiets hadden we nodig. Want als zelfs GroenLinks de koningin verzoekt om op te treden als Moeder des Vaderlands, zoals kort na de moord op Theo van Gogh gebeurde, dan is er alom een grote symbolische leegte gevoeld. De vraag is wel of een rubberen bandje die leegte voor langer dan een hype kan opvullen.

Geen mens kan zonder symbolen. Symbolen brengen structuur in hoe wij onszelf en de werkelijkheid ervaren. Voor een samenleving is het niet anders. `Iedere cultuur', schreef de antropoloog Claude Lévi-Strauss, `is een geheel van symbolische systemen, waarbij de taal, het huwelijk, de economische betrekkingen, kunst, wetenschap en religie de voornaamste plaats innemen.' Die symbolische systemen ordenen ons gevoelsleven, comprimeren wat voor ons complex en extreem is, vormen een brug tussen het persoonlijke en het sociale, het bewuste en het onbewuste, het alledaagse en het onbevattelijke. Een symbool kan verenigen, troosten en sterken. Het kan ons ook op volle kracht raken in het hart van onze verbeeldingswereld.

Er is al veel geschreven over het gevoel voor symboliek van de 11 september-terroristen en de manieren waarop de Verenigde Staten daarop symbolische antwoorden hebben gezocht. We hebben gezien hoe het land om de angst te bezweren, de trots te herstellen en de eenheid te bevestigen teruggreep naar oude, patriottische symbolen: de Vlag, de Adelaar, het Vrijheidsbeeld. En we weten dat de regering voor die nationale herrijzenis om advies is gaan vragen aan de symbolenmachine van Hollywood: de nationale psyche moest op zoveel mogelijk niveau's worden geregisseerd.

Sindsdien staat het hele politieke leven van de grootmacht stijf van de symboliek. Het succes ervan is de rest van de wereld niet ontgaan. De Amerikaanse historicus en marktonderzoeker John Fraim voorziet zelfs dat symbolen in de toekomst de hele wereldpolitiek zullen beheersen. Zoals Samuel P. Huntington een `clash' tussen beschavingen aankondigt, zo voorspelt Fraim in zijn boek Battle of Symbols: Emerging Global Dynamics een wereldwijde oorlog van symbolen.

Als dat waar is, waar zullen die symbolen dan precies voor staan? En wie geeft ze vorm?

Vóór de ontzagwekkende oorlogsverklaring van het moslimfundamentalisme leefden wij in het westen voornamelijk in de symbolische wereld van merknamen, statusobjecten, pop- en pornosterren en televisiepersoonlijkheden. Ze werden aangeleverd door de reclame, de mode en de massamedia, die daarbij nauwkeurig de belangen van de grote bedrijven in het oog hielden. Het deerde ons niet dat die symbolen net zo dun en vluchtig waren als de wereld van illusies die ze vertegenwoordigden. We amuseerden ons juist met de listige creativiteit waarmee ze steeds weer werden vernieuwd. Dat is niet meer genoeg. De moord op Theo van Gogh en de angst die sindsdien rondsluipt, hebben ook hier een verlangen geschapen naar symbolen die de waarden van de vrije, open samenleving representeren. Zwaarwegende, duurzame symbolen die het kunnen opnemen tegen de tirannieke symboliek van de terreur. Die hebben we niet, en daarom zitten we nu opgescheept met het goedkope sentiment van een oranje polsbandje.

Hoe komt dat? Waarom ontstaan er geen symbolen meer met de kracht van het Monument voor een verwoeste stad dat Ossip Zadkine in 1953 voor Rotterdam heeft gemaakt? Of als de Guernica van Picasso? Vergelijk die eens met het Burgermonument voor de Eenheid van Europa dat binnenkort, dankzij het beschermheerschap van Romano Prodi en subsidie van het Europese Parlement, zal verrijzen in een gehucht tussen Erfurt en Weimar. Het is een gezamenlijk ontwerp van negen kunstenaars uit verschillende landen (twee uit Nederland) en het bestaat grof gezegd uit een ondergrondse, lemen kamer, afgedekt door een glazen koepel waardoor gekleurd licht naar binnen valt. Dit licht is naar de koepel gestuurd door vier gekleurde, heliocentrische spiegels die buiten van vier kanten (de vier windrichtingen) het daglicht opvangen. Binnen neemt een omgekeerde piramide van vier spiegels de gekleurde lichtstralen in zich op en breekt ze op zo'n manier dat de kleuren in de punt van de piramide samensmelten tot het wit van het zonlicht.

Een complexe constructie die, alweer, Respect moet uitdrukken voor de Menselijke Waardigheid, het Individuele Verschil en voor Culturele Vrijheid. Maar als de folder er een heel andere betekenis aan had gegeven, had ik het ook geloofd. Dat komt doordat het monument geen beeld is, maar een fluïdum. Het prent zich niet in ons als een machtig teken, maar het glijdt naar alle kanten weg in een voorgeprogrammeerd gevoel van verhevenheid. Ooit noemden we zoiets kitsch.

Het monument voor Europa doet me denken aan wat de Belgische kunsthistoricus Francis Smets stelde in zijn in 1988 verschenen, maar nog altijd belangwekkende boek Sophia's terugkeer: de religieuze crisis en het ontstaan van de moderne kunst. `De moderne kunstenaar', schreef hij, `beeldt de symbolen van zijn cultuur niet meer uit, omdat de cultuur hem geen symbolen meer aanreikt.' Het is waar, onze cultuur is geen voedingsbodem meer voor heldhaftige symbolen als bijvoorbeeld de Rodina, een van tonnen staal gemaakte, honderdtwee meter hoge mythische figuur op een heuvel in Kiev. Als een vrouwelijke aartsengel, wachter, krijger, waakt ze sinds de late jaren veertig met opgeheven zwaard en schild over stad en vaderland. Onze hedendaagse helden leven niet op de Olympus, maar op het podium van de massamedia. En de waarden waar ze voor staan, hebben niets te maken met begrippen als Vaderlandsliefde, Eenheid en Noblesse. Het zijn eendagsvliegen die vaak alles doen om in leven te blijven. Zelfs als ze daarvoor op een rotte appel moeten gaan zitten. In zo'n klimaat maken kunstenaars niet snel symbolen van Waarheid, Moed en Moraal.

Maar we voelen het gemis wel. En het neemt alleen maar toe nu `anderen' onze cultuur volsymbolisch en tegelijk zeer concreet aanvallen. Daarom worden de laatste tijd aan de lopende band debatten en conferenties georganiseerd waarbij de sprekers zich buigen over de vraag wat onze waarden nu precies inhouden. En vooral wat de grenzen ervan zijn. Hoe ver gaat de Vrijheid van Meningsuiting? Hoe ver de Vrijheid van Godsdienst en Onderwijs? Wanneer wordt de Democratie een bedreiging voor zichzelf? Daarbij is het idee van Europa vaak een dankbaar uitgangspunt, want dat is nog vaag genoeg om er van alles aan te kunnen verknopen.

Zo'n conferentie was Europe. A Beautiful Idea?, die begin december in Rotterdam plaatsvond en door het Nexus Instituut was georganiseerd. Tijdens een van de debatten, waaraan prominente denkers, schrijvers en politici uit oost en west deelnamen, bracht de Syrische islamoloog Bassam Tibi naar voren dat Europa aan moslims geen model voor integratie biedt. Welke waarden wil Europa eigenlijk uitdragen naar de niet-westerse wereld, vroeg hij. Is er een Europa dat meer is dan een markt en een munt? Heeft Europa wel een ziel?

In de zaal stond er stond geen kunstenaar op. (Was er wel een?) Hij had aan Tibi kunnen vertellen dat de ziel van Europa ongelofelijk rijk, geschakeerd en sensitief is, zwaar van visioenen van een maakbare, betere wereld, doortrokken van avonturierszin en experimenteerlust, bereid om ruimte te scheppen door tradities overboord te gooien en morele dilemma's bloot te leggen. En dat die sprankelende ziel in haar kunsten zit. Diezelfde kunsten die door de politici op de eerste rij respectloos worden afgeknepen ten gunste van de markt en de munt. Maar niemand bewoog. Wel vertelde premier Balkenende trots dat rond het museum Beelden aan Zee in Scheveningen een symbolische `Europa Cultuurmuur' zal worden opgetrokken, met inscripties van beroemde teksten uit de vijfentwintig lidstaten. `Om de Europese gedachte onder het publiek te brengen.'Een muur. Als symbool van een open samenleving. Tibi was te beleefd om zich schaterend op de dijen te slaan.

Wat telkens weer treft bij de symbolen die nu worden gecreëerd, is hun softe, zoetsappige karakter. Ze stralen zo nadrukkelijk goede bedoelingen en een positieve levenshouding uit dat je smeltend mens en dier wil omarmen. Maar het mooie gevoel beklijft niet. Zodra je je omdraait is het voorbij, want het heeft niets gekregen waar het zich aan vast kan haken. Respect voor de menselijke waardigheid: prachtig! Maar het is maar een kreet als we niet weten wat die waardigheid inhoudt. De kant van politieke leiders, topmanagers en opiniemakers kijken we in ieder geval niet op.

Welke kant dan wel? Waar vinden we nog modellen van nobele, menselijke kwaliteiten? De kunst van de fascisten en communisten wist het wel. Die beeldde een trotse, fiere en arbeidzame mens uit: kin omhoog, de arm gestrekt naar de toekomst. Die ideale mens is met de ideologieën begraven. No more heroes, schreven de jaren tachtig op zijn graf. Begrijpelijk, want we weten intussen dat de held van de een de vijand van de ander is. Dat is een slechte basis voor een betere wereld. Het hoort ook niet bij het idee van de moderne mens zoals dit de laatste honderd jaar is ontwikkeld door de filosofie en de kunsten. Het idee van een individu dat verantwoordelijkheid voor zichzelf neemt, zijn eigen waarheid vindt en zijn eigen held is.

Is dat een te groots ideaal? Of is het juist niet idealistisch genoeg? In ieder geval zien we in de beeldende kunst, het theater en de literatuur het spiegelbeeld van een mens die verscheurd wordt door existentiële onzekerheid, twijfel en morele vraagstukken. Zijn diepe verlangen naar harmonie, samenhang en geborgenheid vindt nergens voet aan de grond. Ja even, in de dubbelwereld van glimmende spullen, vrolijke seks en zonnige cocktails. Maar dan slaat de gewone werkelijkheid weer toe, en zou hij aan iedere passant willen vragen wie en waar hij is.

Zo'n kunst laat ons over de inhoud van waarden zelf tobben. Ze biedt geen symbolen waaraan we ons vast kunnen houden, en al helemaal geen rooskleurige. Ze wil juist weg van de bestaande, bekende betekenissen om tot nieuwe inzichten te kunnen komen. En de route die ze daarvoor gekozen heeft loopt via de middelen die haarzelf tot kunst maken. Daarom kijken we naar schilderijen die op het bedriegelijke karakter van verf wijzen, naar theater over de onechtheid van theater, naar films waarvan de vorm, net als bij literatuur, een substantieel deel uitmaakt van het verhaal.

Maar het is niet meer genoeg. De kunst wordt nu verweten dat ze zich met al deze zelfreflectie geïsoleerd heeft van de maatschappij. Filmregisseur Jos de Putter zei daarover vorige week in deze krant: `Kunst is een eigen domein naast het domein van de samenleving.' Daarmee heeft ze zich, vindt hij, wel kunnen afschermen voor maatschappelijke ontwikkelingen en haar eigen vrijheid kunnen creëren, maar dit isolement heeft haar voor de samenleving ook ongevaarlijk gemaakt. `Kunst is voor het maatschappelijk debat niet meer relevant.'

De Putter heeft gelijk, en de kunst zou zich dat moeten aantrekken. Ze zou zich niet meer achter een nuffig, academisch discours moeten verbergen als ze, zoals met de film Submission van Theo van Gogh, een publiek een steen in het gezicht gooit. Want niemand gelooft meer in het alibi van de schoktherapie. De steen wordt tegenwoordig als echt ervaren en zo wordt er ook op gereageerd. De kunstenaar die nu een verguld neppistool in het Stedelijk Museum exposeert, moet dan ook niet verontwaardigd zijn als de politie zijn werk in beslag neemt. De symboliek van die actie is net zo puberaal als die van zijn eigen werk. Maar er blijkt wel uit dat de kunst niet slordig meer met haar vrijheid kan omgaan. Ze is, zonder dat ze het in de gaten heeft gehad, van symbool van totale vrijheid een maatschappelijke factor geworden die op haar eigen verantwoordelijkheid kan worden aangesproken. En misschien is dat zo slecht nog niet. Misschien trekt het de kunst over haar zelf opgelegde grenzen heen, recht in het hart van onze samenleving. Want we snakken naar symbolen die authentiek, betekenisvol en bezielend zijn. Een oorlog van symbolen valt alleen daarmee te winnen.