Gekust door de natuurwetenschap

In Middelburg werd in 1785 het het Natuurkundig Genootschap der Dames opgericht. Vol overgave stortte de vrouwelijke elite zich op elektriseermachines en Leidse flessen.

Het moet een fascinerende vertoning zijn geweest waarmee de werking van de elektriseermachine voor de achttiende-eeuwse toeschouwers aanschouwelijk werd gemaakt: een elektrisch opgeladen vrouw, staande op een geïsoleerde verhoging en via een metalen ketting verbonden met de draaiende machine, die zich vooroverbuigt om een mannelijke vrijwilliger uit het publiek te kussen. Vlak voor het moment dat hun lippen elkaar raken, springen de vonken over, waardoor de man reflexmatig terugdeinst en de kus niet wordt geconsumeerd.

Deze zogeheten elektrieke kus was slechts een van de vele demonstraties die er op leerzame genootschapsavonden in de achttiende eeuw te zien waren. Vooral in de tweede helft van deze eeuw kwam het verenigingsleven in de Republiek tot ongekende bloei. In tientallen gezelschappen konden dichtlievende, kunstminnende en weetgierige burgers hun hart ophalen. Ook de natuurwetenschappen mochten zich in een grote belangstelling verheugen. Regenten en gegoede burgers kwamen in groten getale af op de openbare lessen, de experimenten en de spectaculaire proeven, die hen inwijdden in de geheimen van elektriciteit, zwaartekracht en magnetisme, en die hen tevens vertrouwd maakten met nieuwe onderzoeksmethodes en instrumenten.

Dergelijke publieke lessen en genootschapsavonden vormden een antwoord op de dorst naar kennis en de brede interesse voor de natuur die de achttiende-eeuwse hogere burgerij typeerden. Deze belangstelling sloot direct aan bij de toenmalige Verlichtingsidealen met hun nadruk op kennis en vooruitgang. Waar men zich bij het onderzoeken van de werkelijkheid vroeger liet leiden door klassieke dogma's, bijgeloof en traditie, zo was de gedachte, vormden nu de rede en de ervaring de belangrijkste kennisbronnen. In zijn Nederlandse variant bezat het Verlichtingsdenken bovendien een sterk christelijk karakter, waardoor de natuurwetenschappelijke interesse hier ook een religieuze inspiratie kende. Kennis en geloof versterkten elkaar. Toonden al die natuurwetenschappelijke fenomenen niet Gods Almacht en onderstreepten zij niet de perfectie van Zijn schepping?

Overigens kende het verlichte karakter van de meeste genootschappen ook weer zijn grenzen, want vrouwen waren vrijwel overal van het lidmaatschap uitgesloten. Zo dit al niet statutair was vastgelegd, dan was hun aanwezigheid in elk geval hoogst ongebruikelijk.

Geleerde vrouwen, ze waren er in de achttiende eeuw wel degelijk, maar ze werden niet bepaald beschouwd als een sieraad van hun sekse. Het was dan ook een uitzonderlijke daad dat in Middelburg in 1785 het Natuurkundig Genootschap der Dames werd opgericht. De historica Dorothee Sturkenboom besteedt in De elektrieke kus uitgebreid aandacht aan de bloei en neergang van deze eerste natuurwetenschappelijke vereniging voor vrouwen. Sturkenboom schreef eerder over het achttiende-eeuwse genre van de spectatoriale tijdschriften en belijdt in haar nieuwe boek opnieuw haar voorliefde voor het tijdperk van de Verlichting.

Gedetailleerdheid

De leden van het Natuurkundig Genootschap der Dames, zo laat Sturkenboom zien, behoorden stuk voor stuk tot de stedelijke high society, het regentenpatriciaat en de grote koopmansfamilies die in het toenmalige Middelburg goed waren vertegenwoordigd. Dit waren de kringen waaruit ook het al langer bestaande herengenootschap, het Natuurkundig Gezelschap, zijn leden rekruteerde. Het vermogen om een conversatie over natuurkundige verschijnselen en nieuwe wetenschappelijke inzichten te kunnen houden vormde, evenals het bezit van een instrumentenverzameling of een collectie naturalia, een bron van maatschappelijke status.

De dames – in de hoogtijdagen van het genootschap steeg het ledental tot boven de vijftig – kwamen ieder winterseizoen om de twee weken een avond bijeen om zich ter vergroting van hun kennis en hun algemene ontwikkeling door een ingehuurde docent op aanschouwelijke wijze in de fysica te laten onderrichten. Die docenten waren, net als de voorzitters, altijd mannen. Wie waren zij en wat dreef hen? Waarover gingen de lessen? Over welke instrumenten beschikte het genootschap? Hoe waren de betrekkingen met het Natuurkundig Gezelschap voor heren? Sturkenboom dook diep in de archieven om het antwoord op dit soort vragen bijeen te sprokkelen. Zij laat in De elektrieke kus weinig na om het Natuurkundig Genootschap der Dames tot leven te wekken. Voor zover die poging niet in alle opzichten geslaagd te noemen is, is dat minder aan haar te wijten dan aan het bombardement van Middelburg in 1940, waarbij het genootschapsarchief in vlammen is opgegaan. Ook andere gemeentelijke archiefstukken die licht hadden kunnen werpen op de hoofdpersonen of die bij de reconstructie van de gebeurtenissen van nut hadden kunnen zijn, gingen daarbij verloren. Dit dwingt Sturkenboom om haar onderwerp via allerlei omtrekkende bewegingen te benaderen, waarbij iedere archiefvondst die maar enigszins licht werpt op het genootschap en zijn leden uitgebreid aan de orde komt. Die gedetailleerdheid in toch vaak wat afgeleide zaken vergt soms veel van de lezer.

Sturkenboom is het probleem van de bronnenschaarste verder te lijf gegaan door op gezette tijden haar perspectief te verbreden en de aandacht te richten op maatschappelijke ontwikkelingen die voor een beter begrip van de lotgevallen van het genootschap relevant zijn. Dat levert excursies op naar de opkomst van het genootschapsleven in de achttiende eeuw, de ontwikkeling van het meisjesonderwijs en het ontstaan van huiselijkheidscultus in de negentiende eeuw. Daarnaast heeft ze gebruik gemaakt van de mogelijkheden van de historische fictie door fragmenten in te voegen waarin ze beschrijft wat zich afgespeeld zou kunnen hebben rond het Middelburgse Damesfysica en in de hoofden van de mensen eromheen. Elk hoofdstuk begint ermee. Dat zijn geslaagde binnenkomers, want Sturkenboom beschikt over een vaardige pen. Van mij had zij de keuze voor fictionalisering wel wat rigoureuzer mogen maken. Nu worden de beeldende fragmenten telkens gevolgd door passages waarin de wetenschapster het weer overneemt en alle onzekerheden nog eens op een rijtje worden gezet – passages waarin het wemelt van `we kunnen vermoeden', `het is goed mogelijk' of dit lijkt aannemelijk - waarmee het beoogde doel van verlevendiging deels teniet wordt gedaan.

Amateurs

Het Natuurkundig Genootschap der Dames heeft zijn eeuwfeest met moeite gehaald, maar moest in 1887 worden opgeheven vanwege de tanende belangstelling, zowel voor het volgen van de lessen door de vrouwelijke leden, als voor het geven van de lessen door de mannelijke docenten. Die neergang weet Sturkenboom overtuigend te verbinden met veranderingen in de maatschappelijke omgeving van het genootschap. Zo verloor de stad Middelburg in de negentiende eeuw aan elan. Veel rijke families trokken weg nu de stad door de toenemende centralisatie tot een gewone provinciehoofdstad werd gedegradeerd en niet langer diende als springplank voor aantrekkelijke baantjes in handel en bestuur. Verder werd de plaats voor vrouwen in de openbare sfeer steeds meer gezocht en gevonden in de liefdadigheid. De negentiende eeuw kende een hausse aan filantropische verenigingen waarin vrouwen uit de burgerij zich bekommerden om het lot van hun gevallen en bedreigde zusters. Door de expansie van het onderwijs ontstonden voor de jongere generaties bovendien alternatieve en meer voor de hand liggende toegangswegen tot natuurwetenschappelijke kennis.

Wat het Damesfysica net als veel andere genootschappen uiteindelijk de das omdeed, was de teloorgang van de achttiende-eeuwse geïnteresseerde liefhebber, de weetgrage amateur. Zij vormden de kurk waarop het genootschapsleven dreef. Maar met de voortschrijdende professionalisering en specialisering van de natuurwetenschappen werd de kloof tussen vakmensen en amateurs steeds wijder en kreeg het begrip amateurisme de negatieve bijklank die het vandaag de dag nog altijd heeft. De plaats voor wetenschappelijk onderzoek was niet langer de huiskamer in een regentenwoning, maar werd nu exclusief de universiteit. Op die manier verdampte langzaam de aantrekkingskracht die aan het eind van de achttiende eeuw voor mannen én vrouwen van de proefondervindelijke natuurkunde was uitgegaan. De elektrieke kus was uitgewerkt. Er sprong geen vonk meer over.

Dorothee Sturkenboom: De elektrieke kus. Over vrouwen, fysica en vriendschap in de 18de en 19de eeuw. Augustus, 336 blz. €22,50