Geen slagerij J. van der Ven

Het was een eenvoudig vertellend en keurig rijmend vers waar mijn oog op viel, in een bloemlezing van Engelse romantische poëzie. De dichter heette Thomas Hood. Hij moet een bekende naam zijn, maar ik had nog nooit van hem gehoord. Hij leefde van 1799 tot 1845, en hij was 27 jaar oud toen hij zijn eenvoudig vertellend en keurig rijmend vers schreef. `I remember, I remember, / the house where I was born', zo begint hij. Hij herinnert zich niet alleen het huis waarin hij was geboren, maar nog wel meer: `the little window where the sun / came peeping in at morn', het kleine raam waardoor de zon 's ochtends vroeg naar binnen kwam gluren. Ach ja, zo'n soort gedicht dus, met zulk soort herinneringen. Er zijn er veel van.

Ik zou niet verder hebben gelezen als op dit traditionele begin niet deze twee regels waren gevolgd: `He never came a wink too soon, / nor brought too long a day'. Ik schoot vanzelf in de lach. De zon kwam altijd precies op tijd, 's ochtends, geen seconde te vroeg. En hij maakte de dagen ook nooit te lang: juist op het moment waarop de dag afgelopen was, trok de zon zich ook weer terug. Kwam dat niet mooi uit? Ik moest grinniken, om de vicieuze redenering, maar ik was natuurlijk ook jaloers: op de simpele kinderlogica, het overzichtelijke wereldbeeld, het gesloten universum waarin alles precies in elkaar steekt.

Dit is de wereld van Gods wijze liefde, zoals te vinden bij J.A. Dèr Mouw, in zijn terugblik op het fijne ronde geloof van vroeger: `God's wijze liefde had 't heelal geschapen: / vol lente, net als de appelbomen bloeien.' Daar begon het al mee: God bracht de lente precies op het moment waarop de appelaars in bloei stonden. Mooi! Nog zoiets moois: God schiep het varken, zodat de mens altijd was voorzien van spek en ham. Evenzo: voor onze wol schiep Hij de schapen. Nog efficiënter: `Het zonlicht spaarde Hij uit, als wij toch slapen.'

Het is dezelfde naïeve voorstelling van zaken als in het gedicht van Hood. Die kijkt nog even door de ogen van het kind dat hij ooit was, maar weet inmiddels wel dat de wereld niet meer zo overzichtelijk in elkaar steekt. Het komt maar al te vaak voor dat de dagen hem nu veel te lang duren, of juist veel te kort zijn – om over de nachten nog maar te zwijgen. Hij is, zou je kunnen zeggen, uit de tijd gevallen en probeert er nu weer in opgenomen te worden, in een lange nostalgische terugblik op de bloemen, de dieren, de schommel, de sparrenbomen die zo hoog reikten. Het is het weemoedige verlangen naar de onschuld van vroeger, de kinderfantasie, het onbekommerde geluk – nu allemaal verdwenen. Het is de wereld van `Het dorp' van Wim Sonneveld: `Ik was een kind, hoe kon ik weten / dat dat voorgoed voorbij zou gaan?'

Alle herinneringen van Hood worden voorafgegaan door de telkens herhaalde regel `I remember, I remember'. Het is dezelfde regel die Philip Larkin anderhalve eeuw later, rond 1954, zal gebruiken als hij eens in de trein bij toeval, door een omleiding, aankomt in een vreemd station. Hij reist samen met een vriend. Ze kijken wat naar buiten, zien de bedrijvigheid op het perron – en ineens schiet Larkin overeind. `,,Hee, Coventry!'' riep ik uit, ,,hier ben ik geboren.''' En hij leunt naar buiten om te zien of hij nog iets herkent van de stad die jarenlang `zijn' stad was. Hij werd er geboren in 1922 en woonde er tot 1940. Maar hoe meer hij zoekt naar punten van herkenning, hoe minder hij vindt. Wat was eigenlijk de voorkant van het station, en wat de achterkant? Hij ziet wat oude fietsen staan: was dat nu de plek waar vroeger de jaarlijkse familieuitstapjes begonnen? Blijkbaar, maar hij herkent het niet.

Ergens fluit een conducteur, het uitzicht zet zich in beweging, hij gaat weer zitten en kijkt in gedachten verzonken naar zijn schoenen. `Was dat nu de plek' vraagt zijn vriend lacherig, `waar je zoals ze dat noemen je wortels hebt liggen?' Nee, had Larkin willen antwoorden, het is alleen maar de plek `where my childhood was unspent.' Woordspeling, moeilijk te vertalen: de plek waar ik mijn jeugd heb ondoorgebracht, de plek waar mijn onjeugd zich heeft afgespeeld.

Larkin noemde zijn gedicht `I remember, I remember', met een voor de Engelse lezer duidelijke verwijzing naar het gedicht van Hood. Maar wat hij erop laat volgen is in alle opzichten de tegenhanger van dat weemoedige, zoetelijke en stichtelijke vers. Hij gaat in gedachten een rondleiding geven langs alle plekken waar zijn jeugd zich niet heeft afgespeeld. Of eigenlijk moet je zeggen: waar zijn jeugd zich wel heeft afgespeeld, maar waar niets noemenswaardigs is voorgevallen. Hier ziet u onze tuin, waar ik geen mystieke visioenen heb beleefd en aan de bloemen en planten geen goddelijke inzichten heb overgehouden. Hier zien we die geweldige familie bij wie ik nooit troost ging zoeken als ik droevig was. Hier stond hun oude auto. En dit is hun boerderij, waar ik `helemaal mezelf' had kunnen zijn. Hier zien we de plek in de bosjes waar ik nooit zenuwachtig was en waar zij ook nooit achterover leunde en ging liggen, waarna er geen waas voor mijn ogen kwam en alles zich niet voltrok.

Behalve een terugblik op een jeugd waarover niets te melden valt, is het ook een sneer aan het adres van al die literaire jeugden waarin schrijvers steevast van zulke opwindende en karaktervormende avonturen beleefden, steevast ook met voorspellende waarde. Larkin moet er, in zijn non-autobiografie, niets van hebben. Hier ziet u dan het bedrijf waar mijn rijmpjes niet in een lompe tienpuntsletter werden gezet, en niet gelezen door een fijnbesnaarde neef van de burgemeester die mijn vader vervolgens niet ging opbellen met de mededeling: meneer, als ik in de toekomst kon kijken, dan zag ik nu in het verschiet ...

Naarmate de trein zich verder van Coventry verwijdert volgen er meer details, of eigenlijk niet-details. Hood wordt daardoor steeds meer geïroniseerd. Diens nadrukkelijke `I remember, I remember' verwordt hier tot een steeds pesteriger `I do not remember, I do not remember'. Het is te vergelijken met iemand die Sonnevelds `Het dorp' in het negatief overdoet: `Thuis heb ik geen ansichtkaart, waarop geen kerk, geen kar met paard, geen slagerij J. van der Ven.' En aan het eind kochten wij geen zoethout van geen cent.

Maar hoe meer deze onjeugd zich voor ons ontvouwt, hoe wranger de nasmaak. Wat een onopwindend, onopvallend, onopmerkelijk leven moet zich daar in die aanvankelijk onherkenbare geboorteplaats hebben afgespeeld.

Leidt dat niet alsnog, jaren later, tot woede of verdriet? `Zo te zien zou je het liefst willen dat die hele stad in rook opging' zegt de meereizende vriend. Maar Larkin weet er een algemenere wending aan te geven. `Nu ja', zegt hij, `met de plaats zelf heeft het volgens mij niet zoveel te maken.' Hij bedoelt: zo gaat het er wel in meer levens aan toe.

Dit is zijn slotregel: `Nothing, like something, happens anywhere.' Overal gebeurt wel eens niets.