Ethische OVSE komt Rusland slecht uit

`Ik ben ervan overtuigd dat ons meer verbindt dan ons verdeelt.'' Dit zouden de Amerikaanse minister Powell, NAVO-secretaris-generaal De Hoop Scheffer of premier Balkenende hebben kunnen zeggen over de transatlantische verhoudingen. Het was echter de Sloveense minister van Buitenlandse Zaken, Dimitri Rupel, die deze woorden ruim een week geleden bezigde aan het eind van de mislukte conferentie in Sofia van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).

Het ging hem niet om de betrekkingen tussen Europa en Amerika, maar om de relaties binnen de OVSE met Rusland. Als gevolg van de onenigheid tussen Rusland en de andere 54 lidstaten van deze organisatie moest de bijeenkomst namelijk worden beëindigd zonder de eens gebruikelijke slotverklaring. (Dat was een jaar geleden in Maastricht ook al het geval.) Rupel, de nieuw aantredende voorzitter, trachtte tevergeefs de breuk te verhullen.

De onenigheid over de presidentsverkiezingen in Oekraïne is niet de enige bron van de verdeeldheid. In een verslag van de bijeenkomst in Sofia in de Frankfurter Allgemeine Zeitung wordt verwezen naar de slotverklaring van de OVSE-bijeenkomst in 1999 in Istanbul. Toen kon nog ,,de vooruitgang worden begroet in de Georgisch-Russische onderhandelingen over de vermindering van de Russische militaire aanwezigheid in Georgië''. In die verklaring werd ook de verplichting genoemd die de Russen op zich hadden genomen om hun troepen tegen het einde van 2002 volledig uit Moldavië te hebben teruggetrokken. (Georgië en Moldavië behoorden destijds tot de Sovjet-Unie en maken nu in de zienswijze van het Kremlin deel uit van het `nabije buitenland', de Russische invloedssfeer).

In Sofia trok de Russische minister Lavrov van leer. De OVSE verweet hij aan te sturen op onderlinge verdeeldheid. Het Westen mengt zich volgens hem onder meer in de problemen van Abchazië (een afvallige, door het Kremlin ondersteunde Georgische provincie) en heeft een Russisch voorstel voor een oplossing in Moldavië van de hand gewezen. Het verwijt dat Rusland met betrekking tot dit laatste land zijn verplichtingen niet nakomt, liet Lavrov onweersproken.

De OVSE vindt haar wortels in de periode van de Koude Oorlog toen, in de jaren '70, aan beide zijden van het zogenoemde IJzeren Gordijn de behoefte ontstond aan structureel overleg. Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie ontwikkelde de organisatie zich tot een forum waarin niet alleen plaats werd ingeruimd voor de nieuwe onafhankelijke staten die uit de USSR voortkwamen, maar waarin ook de binnenlandse problemen van deze staten konden worden besproken. Veelal gaat het daarbij om de positie van (Russische) minderheden en de kwaliteit van de handhaving van de mensenrechten. Volgens de Duitse minister Fischer in Sofia weert de OVSE zich op het gebied van de mensenrechten `uitstekend' en dat ,,niet slechts in Oekraïne waar vervalsingen van de verkiezingsuitslag door OVSE-waarnemers werden vastgesteld.''

De OVSE timmert niet aan de weg, maar zij is de enige plek waar over oude en nieuwe scheidslijnen heen over een breed scala van problemen op voet van gelijkwaardigheid kan worden beraadslaagd. Anders dan in de Raad van Europa spreken in de OVSE ook de VS en Canada als volwaardig lid mee. Anders dan in de NAVO heeft Rusland in de OVSE een volwaardige plaats aan tafel. Vandaar dat opeenvolgende regeringen in Moskou hun best hebben gedaan om de OVSE ten koste van de NAVO op te waarderen, dan wel pogingen hebben ondernomen om van de NAVO een soort militaire OVSE te maken. Verdeeldheid in de OVSE haalt niet de voorpagina's, maar zij zegt iets over de temperatuur van de binnen-Europese betrekkingen. Die temperatuur daalt. Dat opent een nieuw tijdperk voor Europa.

Van alle internationale verbintenissen die Europese staten met elkaar en met derden zijn aangegaan, is de EU de intiemste. Zij strekt zich uit over een gebied waarvan gezegd kan worden dat de onderlinge betrekkingen eenzelfde historische en culturele achtergrond hebben. Met het einde van de Koude Oorlog werd de scheidslijn opgeheven die Europa een veertig jaar had verdeeld. De speurtocht kon beginnen naar wat de landen over de ontstane breuk heen nog met elkaar verbond.

De jongste uitbreiding van de EU zou als bezegeling van die speurtocht kunnen worden beschouwd, als niet aan de buitengrenzen alweer nieuwe kandidaten aanklopten. De meest omstreden daarvan is Turkije, maar het is niet de gegadigde die de riskantste complicaties met zich meebrengt. Turkije marcheert al weer een halve eeuw mee in de rijen van de NAVO en wat verder van dit land ook gezegd kan worden: in machtstermen vertaald behoort het tot het Westen.

Dat ligt met Oekraïne totaal anders. Fischer mag wijzen op de goede werken die OVSE-waarnemers bij de presidentsverkiezingen in dat land hebben verricht, zij hadden niet de zegen van lidstaat Rusland. En ook al bracht minister Lavrov in Sofia Oekraïne niet ter sprake, zijn opmerking over de verdeeldheid binnen de organisatie heeft geen uitleg nodig.

De Russen hebben de wedstrijd verloren, maar ze zijn nog in de race. Vooral het feit dat president Poetin persoonlijk beschadigd is geraakt toen het Oranje-offensief van de oppositie in de straten van Kiev zegevierde, maakt waarschijnlijk dat het Kremlin zich op den duur niet zonder meer bij de gang van zaken zal neerleggen.

Anders dan in het geval Turkije is de plaats van Oekraïne binnen de Europese machtsverhoudingen onzeker. De EU ontkent van die omstandigheid gebruik te hebben willen maken. Haar betrokkenheid bij het land wordt voorgesteld als ethisch. De Europese organisaties waarvan Oekraïne lid is hebben alle de mensenrechten en de rechtsstaat hoog in het vaandel geschreven. Het toezien op, zelfs (steun verlenen aan) het afdwingen van een eerlijk verloop van verkiezingen komt niet voort uit machtspolitieke overwegingen, maar hangt samen met het handhaven van datgene waartoe Europese landen, inclusief Rusland, zich hebben verplicht.

Alleen, de mannen in het Kremlin wensen dat anders te zien. Zij willen als vanouds de vrije hand in het gebied dat zij als hun rechtmatige invloedssfeer beschouwen. De ethische benadering van de andere 54 lidstaten van de OVSE komt hun ongelegen. Dat is geen verrassing, maar voor de regeerders van die landen wel een teleurstelling. Het wachten is op de volgende botsing tussen goede bedoelingen en onverholen opportunisme. Er is vermoedelijk meer wat verdeelt dan wat verbindt.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.