En maar hijgen en puffen van climax naar climax

A star called Henry heette de roman die Roddy Doyle vijf jaar geleden publiceerde, het eerste deel van een trilogie. De hoofdpersoon, Henry Smart, als kleuter al streetwise, vecht zich als een hard-core Tijl Uilenspieghel door de krochten van de Ierse onafhankelijkheidsgeschiedenis. Net als zijn vader, die met zijn houten been vele hersenpannen insloeg, moordt Henry erop los, maar wel in naam van een hoger doel: de Ierse vrijheid. Tegen de tijd dat Henry Smart erachter komt dat oorlog niets anders is dan zakendoen met andere middelen, is hij twintig jaar.

Deel twee is nu verschenen. Aan het slot van Oh, Play That Thing is Henry vijfenveertig en na onwaarschijnlijke verwikkelingen terug bij af. Als archetypische Ier pakt hij aan het begin van het boek de boot naar Amerika, hij komt er aan in 1924. In de achterbuurten van New York stort hij zich in een nieuwe oorlog, die van het vrije ondernemerschap. Maar Ierland is overal. Henry heeft in zijn nieuwe branche – verhuur van sandwichborden – nog geen oplichterstruc bedacht, of men zit hem alweer op de hielen.

Een akkefietje met een bendeleider en een stel duiven zorgt ervoor dat Henry opnieuw moet vluchten. Doyle laat hem weer opduiken in Chicago, en daar blijkt dat onze sympathieke schurk een hart voor muziek heeft. In A Star Called Henry onderscheidde Henry zich door zijn liefde voor literatuur. In dit deel is het de jazzmuziek die zijn leven verandert, en in het bijzonder de jazz van één man. Voortaan is Smart de schaduw van Louis Armstrong, die als zwarte een zwakke positie heeft in onderhandelingen en moeite heeft zich de maffia van het lijf te houden. Met de eeuwig snedige en onvermoeibare macho Smart in zijn kielzog gaat dat natuurlijk veel beter.

Henry Smarts avonturen: het zijn er te veel om op te noemen en ze zijn te mooi om waar te zijn. En daarin zitten de problemen. In het eerste deel hield het dwingende kader – de onafhankelijkheidsgeschiedenis van onderaf verteld – Doyle nog in toom. In deel twee is niets te dol; Oh, Play That Thing raast van climax naar climax, elk gevecht is erger dan alles wat Henry voordien heeft meegemaakt, elk concert van Louis is ontwortelender en alomvattender dan het vorige. Elke vrouw is mooier dan alle vorige tezamen, elke `ride' met haar geiler dan ooit.

Doyle doet opnieuw zijn best om ons bekende historische kaders als nieuw voor ogen te toveren. Zijn documentatie is wederom indrukwekkend. Werkelijk niets is hem te veel: het ontstaan van advertentie-industrie, jazzcultuur, platenindustrie, crisisjaren én de western – je kunt het zo gek niet bedenken of Henry staat er met zijn neus bovenop. Maar we krijgen het allemaal mee via zijn fragmentarische, staccato observaties, en daardoor verdwijnt iedere variatie uit zicht. De leegte van Monument Valley, waar – werkelijk stomtoevallig – Henry Fonda onze held van de uitdrogingsdood redt, komt net zo hectisch over als Louis' optreden in de Bronx.

Mutatis mutandis geldt dat ook voor Henry zelf. Oh, Play That Thing zou niet zo vermoeien als Smart al doende hier en daar een krasje opliep, maar hij is het papieren equivalent van een held uit een computerspelletje. Zijn enige kwetsuren blijven de jeugdtrauma's die in het eerste deel ook al een leidmotief vormden: de dood van broertje Victor aan tuberculose en het idee dat hij in water wegzinkt als er gevaar dreigt. Regelmatig komen deze motieven voorbij – inderdaad, als in een jamsessie. In deel twee wordt Henry regelmatig bont en blauw geslagen, hij verwerft en verliest vrouwen, kinderen en zelfs ledematen, maar dat alles laat geen sporen meer na. Innerlijk is Henry voortaan stoot- en slijtvast, en met die eigenschap besmet hij de lezer. Ook die geeft geen krimp meer.

Roddy Doyle: Oh, Play That Thing. Volume Two of `The Last Roundup'. Jonathan Cape, 374 blz. €26,37. Een vertaling verschijnt in februari bij Nijgh & Van Ditmar.