Dichters, ga de straat op

Door een lek op www.dichtersdesvaderlands.nl werd vorige week bekend dat Driek van Wissen op dat moment van lekkage de lijst van beoogde titelhouders aanvoerde. Nu schijnt Van Wissen in Groningen en omstreken een stevige campagne voor zichzelf te voeren. Hij deelt pennen uit met daarop een wervend kwatrijn en gaat de kroegen van Groningen langs om stemmen te winnen. Van Wissens inzet is voorbeeldig. Hij neemt de verkiezing serieus en is enthousiast. Van Wissens enthousiasme voor het prille instituut Dichter des Vaderlands is terecht. Dankzij de manier waarop Gerrit Komrij gedurende vier à vijf jaar het ambt vervulde, droeg de functie van Dichter des Vaderlands bij aan de aandacht en interesse voor het genre dat normaliter het couveusekindje is van de literatuur: de poëzie. Dankzij de activiteiten van de Dichter des Vaderlands werd voor een groot publiek een kunstvorm ontsloten die ten onrechte door datzelfde publiek wordt beschouwd als stoffig en oubollig.

Gezien de zelfpromotie van Van Wissen is het wel heel ironisch dat met hem een verpersoonlijking van die oubolligheid de komende vijf jaar met het vaandel van Dichter des Vaderlands dreigt te gaan zwaaien. Voor wie het niet weet: Driek schrijft het soort belegen sonnetten waartegen vijftig jaar geleden dichters als Lucebert, Remco Campert en Gerrit Kouwenaar met succes ageerden. Anno 2004 dicht Driek van Wissen alsof de Vijftigers nooit hebben bestaan en alsof alle poëzie van daarna niet meer is dan een efemere ruis, verspreid door malle artistiekelingen. En nu? Nu dreigt Nederland zichzelf op te schepen met een Groningse rijmelaar die nog iedere ochtend een grote biedermeierbroek aandoet en net doet alsof het in de poëzie dagelijks sinterklaasfeest en pakjesavond moet zijn.

Voor de duidelijkheid: ik heb niets tegen het sonnet. Sterker: ik heb net een bundel voltooid waarin een aantal sonnetten is opgenomen. Gerrit Komrij schrijft heel vaak sonnetten, maar de manier waarop hij dat genre invult ademt vernieuwing, verrassing en ontregeling. In het maatpak van het sonnet presenteert Komrij een levensgevoel waaruit de horror van het heden is te destilleren, om nog maar te zwijgen van een wereldbeeld dat verwant is aan het donkerste en grimmigste van W.F. Hermans en Arnon Grunberg. Er is dus niets mis met het sonnet als genre.

Maar onder auspiciën van een zondagskracht als Driek van Wissen zal het prille instituut van Dichter des Vaderlands per direct verkruimelen tot een hopeloos belegen en archaïsch hobbyisme. Daarom een oproep aan alle dichters van Nederland die garant staan voor poëzie in plaats van folklore: doe wat Driek in Groningen ook heeft gedaan en maak reclame voor jezelf! Ga desnoods uit folderen en colporteren! Nu zijn dichters moeilijk te porren voor dit soort activiteiten, want velen vinden zichzelf te chic voor zelfpromotie. Een beetje dichter doet dat niet. Maar dit keer is het broodnodig. Een dreigende verstoffing van de poëzie moet worden afgewenteld. Stel je voor: Van Wissen als nationaal poëet. Heeft Lucebert dan voor niets geschreven en geleefd? En alle poëzielezers van Nederland zou ik willen oproepen toch vooral te stemmen, op L. Th. Lehmann, of Leo Vroman, op Ingmar Heytze, Anne Vegter, op Wigman of Nasr, op Ilja Pfeijffer of Benno Barnard, op Tjitske Jansen of Maria Barnas op wie je maar kunt bedenken, als het maar een dichter is en geen rijmelaar. Wie recente dichtbundels van Mustafa Stitou, Pieter Boskma, Anneke Brassinga en K. Michel kent, weet dat de Nederlandse poëzie floreert als zelden tevoren, en alleen al daarom is de poëzie gebaat bij een Dichter en geen Sinterklaas des Vaderlands.