De zoon van Dolle Dries

In Den Bosch gaat zondag de zoveelste versie van De Jantjes in première. Wat weinigen weten, is dat dit volksstuk in 1923 een vervolg kreeg: De Jantjes 2.

,,Afgelopen!'' roept Dolle Dries als zijn half-Indische zoon Hamid tijdens een huiselijke twist een mes dreigt te trekken. ,,En voortaan geen messen meer, vervloekte driftkop! De Indische methoden laat je hier maar achterwege.'' Onwillig laat de zoon zijn mes zakken. ,,Welja, begint u nou ook nog tegen me'', zegt hij op klaaglijke toon. ,,Natuurlijk, ik ben anders ingesteld dan jullie, ik heb 't bloed van 'n inlandse moeder en dat laten jullie me genoeg voelen.'' En dan beent hij kwaad weg, een ongewisse toekomst tegemoet.

Dolle Dries was een van de drie titelhelden uit De Jantjes, het uit 1920 daterende volksstuk van Herman Bouber waarvan zondag de zoveelste nieuwe versie in première gaat. Samen met zijn kompanen Schele Manus en Blauwe Toon tekende hij, als gevolg van liefdesmisverstanden en werkloosheid, voor zes jaar militaire dienst in Nederlands-Indië – ver weg van de Jordaan, waar hun vriendinnen Bleke Doortje, Blonde Greet en Toffe Jans achterbleven. Maar dat Dries daar in Indië een zekere Sarina heeft gehad, en dat er toen een zoon is geboren, bleef in De Jantjes onvermeld. Dat werd pas in 1923 onthuld, in een stuk dat geheel in de vergetelheid is weggezakt: De Jantjes 2.

Bouber schreef De Jantjes voor zijn eigen volkstoneelgezelschap, dat domicilie had in de Plantage Schouwburg in Amsterdam. Het was een doorslaand succes, mede dankzij de klassiek geworden liedjes van Louis Davids en Margie Morris. Honderden keren achtereen werd het stuk gespeeld. De schrijver kon van de opbrengst zelfs een motorboot kopen, die hij dan ook De Jantjes noemde. Maar toen het ding eens in een Amsterdamse gracht met motorpech te kampen had, werd hem door een passant vanaf de walkant toegeroepen: ,,Je Jantjes in de Plantage lopen heel wat beter!''

Geen wonder dat Herman Bouber op het idee kwam een vervolg te schrijven. Hij zette de klok twintig jaar vooruit en verzon een situatie die volop conflictstof zou opleveren: Dolle Dries en Blonde Greet als ouders van een gezin met vier kinderen in de huwbare leeftijd. Maar van die vier was er maar één van hen samen. Twee kwamen er uit een eerder huwelijk van Greet, en de derde was de zoon die Dries uit Indië had meegebracht – een jongen die maar moeilijk in het gure Holland kan wennen. ,,U weet nou eenmaal dat ik 't altijd veel kouwer heb dan 'n ander'', zegt hij tegen zijn vader. ,,Dat schijnt in 't bloed te zitten.'' En in een van de liedjes die Louis Davids voor het nieuwe stuk schreef, zong de halfbloedzoon: ,,Bruin is mijn vel, maar blank is mijn ziel/ veel blanker dan Hollandse heren/ die zonder schaamte in het zonnige land/ de inlandse vrouwen onteren...'' Naar de gewoonte van die tijd werd de rol van Hamid trouwens gespeeld door een blanke acteur met een bruingeschminkt gezicht.

De Jantjes 2 werd met hooggestemde verwachtingen tegemoet gezien. Een van de populaire periodieken uit die tijd toonde zich al bij voorbaat enthousiast: ,,Het nieuwe stuk behandelt de lotgevallen van enige hoofdfiguren uit het oude stuk en zal, gelet op het schrijftalent van Bouber, ongetwijfeld ook weer met groot succes worden bekroond.''

Hoe het de eerste sequel uit de Nederlandse toneelgeschiedenis in werkelijkheid is vergaan, blijft echter onduidelijk. In het archief van het Theater Instituut Nederland bevindt zich alleen een knipsel uit het blad De Prins van december 1923, waarin gewag wordt gemaakt van een geslaagd vervolg: ,,Een bezoek aan De Jantjes 2, waarin de auteur zelf een hoofdrol vervult en waarvoor Louis Davids aardige liedjes heeft geschreven, is alleszins aanbevelenswaardig. Het stuk zal ongetwijfeld een paar honderd voorstellingen beleven. De zaal is elke avond zo goed als uitverkocht.''

Verder ontbreekt ieder spoor. Het stuk is nadien nooit meer gespeeld, en ook de liedjes zijn geheel vergeten. Des te raadselachtiger is een passage uit de levensbeschrijving die Herman Bouber vele jaren later stuurde aan de criticus Henri Wiessing van De Groene Amsterdammer: ,,Inmiddels schreef ik een vervolg op De Jantjes en het werd weer een run – kort maar hevig.''

Maar wat kan dan de reden van dit abrupte einde zijn geweest? Dat is niet meer te achterhalen. Misschien was het publiek bij nader inzien toch minder verrukt van een man met een bruine zoon. Of van de onheilspellende woorden waarmee die zoon zijn lied Rassenhaat besloot: ,,Christenen reikt ons de broederhand toe/ anders zult gij het beleven/ dat het bruine jong eens de misdaden wreekt/ aan hunne moeders bedreven.''

De Jantjes (1) gaat 20 dec in première in het Theater aan de Parade in Den Bosch. Tournee t/m 12/6. Inlichtingen: www.musicals.nl