`Dan sla ik je de hersens in'

De Eerste Kamer zette deze week met staatssecretaris Wijn (Financiën) de laatste puntjes op de i van de belastingregels die op 1 januari ingaan. Een terugkerend thema: mensen die de fiscus in de maling nemen. Van gehandicapten en belastingadviseurs tot een kandidaat-lid van de Hoge Raad.

Op 1 januari vervallen voor particulieren de fiscale voordelen van het rijden in een auto met een grijs kenteken (een bestelauto). Een uitzondering geldt voor gehandicapten die de bestelauto gebruiken om hun rolstoel te vervoeren. Een uitzondering daar weer op vormen de invaliden met een opvouwbare rolstoel. Die kan net zo goed in de kofferbak van een gewone auto. Soms zijn gehandicapten om een andere reden toch van een bestelauto afhankelijk. Voor hen geldt een uitzondering in de zin dat de uitzondering voor invaliden met een opvouwbare rolstoel, niet op hen van toepassing is. De gehandicaptenuitzondering geldt alleen voor de auto van de gehandicapte zelf, met de uitzondering dat ze ook van toepassing kan zijn bij vervoer door verzorgenden als een zus of een vriend. Volgt u het nog? Als alle uitzonderingen met elkaar in de knoop raken, moeten de belastinginspecteurs ,,naar redelijkheid'' met de regels omgaan. ,,Ik zal ook nog tegen hen zeggen – maar ik schrijf dat niet op – dat zij bij twijfel een ruimhartige beslissing moeten nemen, maar zij moeten zich natuurlijk ook niet in de maling laten nemen'', zo deelde Wijn de senatoren geruststellend mee. Bij misbruik, zullen de goeden onder de kwaden lijden. Dan trekt Wijn namelijk de hele regeling in.

Wat moet je met dergelijke wetgeving? Op het eerste gezicht is het allemaal heel fijn voor de gehandicapten, maar je legt de kiem voor conflicten van de naarste categorie: discussies over iemands ziekten. Wat is ondertussen de juridische status van iets dat de staatssecretaris wel aan zijn inspecteurs zegt, maar niet wil opschrijven? Wat betekent `redelijk' precies? Kan een belastinginspecteur echt beoordelen of iemand hem over zijn handicap in de maling neemt? Uitgerekend de Eerste Kamer die moet waken over de kwaliteit van onze wetgeving, accepteert dit soort wetgevende wangedrochten klakkeloos. Straks staat de Hoge Raad voor de taak chocola te maken van een reeks halfzachte toezeggingen.

Bij ons hoogste rechtscollege fronst men waarschijnlijk toch al de wenkbrauwen omdat Joop Wijn een frontale aanval inzet op een beoogd lid van de Raad. Het gaat om Maarten Feteris, deeltijdhoogleraar belastingrecht in Rotterdam en belastingadviseur bij het Amsterdamse belastingadvieskantoor PriceWaterhouseCoopers. Hij schrijft veel in kranten en fiscale vakbladen. Kamerleden grijpen vaak op zijn gezaghebbende mening terug. Volgend jaar stemt de Tweede Kamer over zijn toetreding tot de belastingkamer van de Hoge Raad. Staatssecretaris Wijn twijfelt echter aan de betrouwbaarheid van Feteris. Dat komt door een artikel dat hij deze zomer in het Financieele Dagblad schreef. ,,Dat was gebaseerd op foute feiten. Ik ben daarvan geschrokken, want zoiets verwacht je toch niet van een hoogleraar. Als zijn naam valt, ben ik dus extra gespitst op de vraag of het wel deugt'', aldus de staatssecretaris in de Eerste Kamer.

Zo'n geur mag niet rond een lid van de Hoge Raad hangen. Voordat Maarten Feteris een van onze hoogste rechters wordt, moet duidelijkheid over zijn reputatie bestaan. Lidmaatschap van de Hoge Raad vergt respect voor de feiten. Aan de andere kant is het onfatsoenlijk Feteris op basis van een onuitgewerkte beschuldiging af te serveren. En dat terwijl Joop Wijn zo hecht aan feitelijke onderbouwing. Hij wil zelfs dat belastingadviseurs in een gedragscode onder meer het volgende beloven: ,,Bij het geven van commentaar in de pers op uitvoeringsknelpunten zorg ik voor een feitelijke onderbouwing van mijn opmerkingen.'' Als Joop Wijn dat van simpele adviseurs verlangt, dan moeten kabinetsleden hun kritische opmerkingen in het parlement over bekende personen zeker onderbouwen.

Dat gebeurt niet altijd, zoals de Nationale ombudsman Roel Fernhout enkele maanden geleden vaststelde. Minister-president Balkenende en de ministers Remkes (Binnenlandse Zaken) en Donner (Justitie) hadden op ,,feitelijk onjuiste gronden'' de wetenschappelijke integriteit van de Maastrichtse hoogleraar Twan Tak aangetast. Dat was gebeurd in een antwoord op Kamervragen. Excuses bleven uit, waarvoor ombudsman Fernhout de bewindslieden een veeg uit de pan gaf.

Ook belastingadviseurs kunnen een loopje met de feiten nemen. Joop Wijn verdenkt ze ervan dat ze wel eens brieven schrijven met de volgende tekst: ,,Geachte klant, u vraagt ons hoe u zo min mogelijk loonbelasting kunt betalen en ik raad u aan om de Belastingdienst op de volgende manier een rad voor ogen te draaien.'' De belastinginspecteurs zien nu nog vrijwillig af van het ter inzage vragen van de briefwisseling tussen belastingadviseurs en hun klanten. Joop Wijn vraagt zich in de Eerste Kamer af of hij dat informele verschoningsrecht zal handhaven. Misschien wel, maar dan moeten de belastingadviseurs toeschietelijker zijn bij het afsluiten van een gedragscode. ,,De normen en waarden in ons land worden scherper'', zo houdt de staatssecretaris ons voor.

Altijd al scherp was de discussie over de aftrek van hypotheekrente. Wie daarover de strijd met Joop Wijn wil aangaan, krijgt van de staatssecretaris drie tips mee, inclusief oude Duitse zegswijzen. Ten eerste, een goede voorbereiding, want ,,Ohne Fleiss kein Preis''. Ten tweede, kom met nieuwe argumenten, want ,,Was ich nicht weiss, macht mich nicht heiss''. Ten derde, wees ontzettend stevig, want ,,Willst du nicht mein Bruder sein, so schlag' ich dir den Schädel ein''.