Bernhard wilde Juliana in kliniek

Het hoofdartikel `De prins postuum' van 14 december eindigt met: ,,Maar heel belangrijk is het niet meer.'' Dit naar aanleiding van het die dag gepubliceerde interview met Bernhard in de Volkskrant.

Daartegenover staat het volgende. Het was volgens Bernhards vriend en `perskanaal' Sefton Delmer de prins in hoogst eigen persoon die zijn vrouw volstrekt ontoerekeningsvatbaar vond en uit was op een verklaring van ontoerekeningsvatbaarheid door psychiaters. Dit in tegenstelling tot wat Bernhard tegenover Pieter Broertjes en Jan Tromp van de Volkskrant beweerde.

Het was Bernhard zélf die Juliana in de Ursulakliniek wilde doen laten opnemen en het was de prins die probeerde leden van het kabinet zover te krijgen zich daarvoor in te spannen.

Dit heeft Delmer in 1956 verklaard tegenover Dra. M.G. Schenk tijdens een bezoek aan haar, omdat hij (door Bernhard als lek gebruikt) wilde weten hoe het Nederlandse volk over een dergelijke coup zou oordelen. De onthulling van het lek staat al te lezen in `Juliana, vorstin naast de rode loper' (1980). Dat Bernhard zelf de pers heeft benaderd, was dus allang bekend, voordat Der Spiegel en Bernhard er mee kwamen.

Het verhaal over de Ursulakliniek staat niet in `Naast de rode loper'. Toen het boek ter perse lag, liet Schenk die passage weg: Drees zou het niet gewild hebben. Later ontkende zij tegenover Gerard Mulder en Frans Peeters van Vrij Nederland op de hoogte te zijn van Bernhards actie, tegenover Martin Van Amerongen en Igor Cornelissen noemde zij het `een detail'. Uit Schenks geheime archief dat ik na haar dood kreeg, blijkt dat Bernhards optreden een steeds weer terugkerend onderwerp was van de informatie die Schenk ontving van de particuliere secretaresse van Wilhelmina, Jeanette Geldens, en van Juliana's vriendin freule Wttewaal van Stoetwegen, tante Bob voor Juliana's dochters.

Ook die gesprekken, waarvan de essentie nauwgezet door Schenk werd uitgetypt, bevestigen dat Bernhard inderdaad heeft geprobeerd Juliana in de Ursulakliniek te laten opnemen en dat de prins er op gebrand was leiding te geven aan Beatrix. Die was, toen Bernhard het Ursula-plan voor het eerst opperde, in 1955, nog minderjarig (Marga Klompé zat in de voogdijraad over de troonopvolgster). Bernhard heeft tegenover beide bronnen beweerd dat Beatrix uitstekend op het koningschap was voorbereid. De freule en Geldens waren beiden ten stelligste overtuigd van het tegendeel. Verder vertelde Geldens aan Schenk, blijkens haar aantekeningen, dat Juliana door Bernhards ontrouw en optreden doodongelukkig was geworden en daarom steun zocht bij Greet Hofmans en ook bij haar moeder. Geldens: ,,Ik weet niet hoe het moet als mijn `Mevrouw' zo noemde zij Wilhelmina altijd – er niet meer is.'' De freule vond Juliana veel te naïef en zeer weltfremd, maar zeker niet kierewiet. Wel vond zij dat Juliana radicaal moest breken met Hofmans. Beide zegsvrouwen waren het er over eens dat de Hofmans-crisis geen politieke crisis was, maar een huwelijkscrisis, waarin Greet Hofmans slechts een bijrol speelde.

Dat het een Soestdijkse crisis was, daarvan heb ik in 1980 Klinkenberg en in 1992 Lambert Giebels op de hoogte gesteld. Klinkenberg bleek niet af te brengen van zijn visie dat het een politiek conflict was. Giebels (,,Weet u wel hoe belangrijk het is wat u zegt?'') nam mijn informatie over in zijn biografie van Beel. Deze lezing van de zogenoemde Greet Hofmans-affaire door betrouwbare bronnen lijkt mij historisch wel degelijk van belang, evenals het feit dat geen sprake van is, zoals zo vaak wordt beweerd, dat Beatrix leed aan `kroonprinsessenkoorts'.

M.G. van Herk-Schenk. Enig auteur (op het mystificerende hoofdstuk over Greet Hofmans na) van `Juliana, vorstin naast de rode loper'.