Autonomie en de dood

Een wet die het mogelijk maakt in sommige gevallen welbewust een eind te maken aan het leven dient zo kritisch mogelijk te worden bekeken. Dit zegt het comité voor de mensenrechten dat is ingesteld door de Verenigde Naties. Het heeft Nederland gevraagd of de euthanasiewet niet te makkelijk wordt toegepast. Het kabinet neemt deze vraag ,,zeer serieus'', liet het twee weken geleden nog weten naar aanleiding van vragen vanuit de Tweede Kamer. Met enige reden meent het kabinet overigens een ,,afdoende'' antwoord te hebben op de kritische vragen. Nederland staat internationaal gezien inmiddels ook niet meer geheel alleen. In Groot-Brittannië, vanwaar nogal eens kritiek op de Nederlandse praktijk is gekomen, sprak het parlement dezer dagen over een levenstestament. Frankrijk wil een ,,recht om te sterven'' erkennen, zij het niet een actief recht.

Inmiddels dient zich in Nederland zelf een nieuw vraagpunt aan. Dit betreft mensen die, zoals dat heet, ,,lijden aan het leven''. Aanleiding is de casus van senator Brongersma, wiens huisarts hem op 86-jarige leeftijd had helpen overlijden. De Hoge Raad veroordeelde de medicus omdat aan de hulp geen ,,medisch geclassificeerde lichamelijke of psychische ziekte of aandoening'' ten grondslag lag. Een adviescommissie van de artsenorganisatie KNMG meent nu dat ook mensen als Brongersma aanspraak moeten hebben op actieve medische hulp bij het sterven en wil dat de medische professie daarvoor criteria ontwikkelt.

Er zijn zeker argumenten voor deze ontwikkeling, zoals dat de Hoge Raad psychisch lijden niet principieel heeft uitgesloten. Het is verder onmiskenbaar dat de moderne mondige mens ook bij het klimmen der jaren hecht aan persoonlijke autonomie. Toch is er een doorslaggevend argument tegen uitbreiding van euthanasie tot ,,lijden aan leven''. Deze stoelt op de premisse dat het hier een medische afweging en medische deskundigheid betreft. Dit gaat een stap te ver. Euthanasie gaat over de zin van iemands leven. De zin van het leven laat zich slechts zeer gedeeltelijk medicaliseren. Dit beperkt wat men van een arts kan en mag vragen.

Dat de geneeskunde haar grenzen heeft, neemt intussen niet weg dat er wel een probleem is, getuige de groeiende roep om de `laatstewilpil'. Deze is bewust losgekoppeld van het medisch oordeel. Dat is tegelijk de moeilijkheid, want de middelenvoorziening is wél het exclusieve domein van de arts. Zonder controle van buitenaf – ,,betutteling'' zoals het werd genoemd op een recente bijeenkomst van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde, NVVE – zal ook zo'n laatstewilpil het niet kunnen stellen. Maar ook het recht zal buiten de ogenschijnlijk zo natuurlijke grens van het medische terrein moeten durven kijken.