NAVO maakt selectie uit aanbod alle landen

Generaal-majoor b.d. Schaberg komt in zijn artikel van 6 december `Vertrouwen in Nederland daalt' met een boude stelling: het internationale vertrouwen in de bereidheid van Nederland om zijn krijgsmacht in te zetten voor risicovolle taken, neemt af. Eenieder heeft recht op zijn eigen opvatting, maar we moeten ons wel houden aan de feiten. Feit is dat Nederland verhoudingsgewijs meer militaire inzet heeft bij crisisbeheersingsoperaties dan bijna alle andere landen in de wereld. Zo is het afgelopen jaar maar liefst 40 procent van het operationele deel van de koninklijke landmacht uitgezonden geweest.

Twee concrete zaken in het artikel verdienen een weerwoord. Ten eerste wordt in het artikel ten onrechte de suggestie gewekt dat Nederland Irak verlaat, omdat de grond ons te heet onder de voeten wordt en wij door ons vertrek de Britten met een probleem opzadelen. De regering is ervan overtuigd dat in Al Muthanna straks na 20 maanden inzet van ruim 1.300 Nederlandse militairen voldoende voortgang zal zijn geboekt om de provincie op verantwoorde wijze te kunnen overdragen, in de eerste plaats aan de Irakezen zelf.

Ten tweede illustreert Schaberg zijn stelling met de `afwijzing' door de NAVO van het Nederlandse aanbod om begin 2006 een amfibisch transportschip met een mariniersbataljon ter beschikking te stellen voor de snelle reactiemacht van het bondgenootschap, de NATO Response Force (NRF).

Wat hij de lezers echter onthoudt, is dat de NAVO een selectie moet maken uit het aanbod van alle landen. De NAVO geeft er om militair-operationele reden de voorkeur aan dat de landen die NRF op een bepaald moment leiden ook het gros van de eenheden leveren. In de eerste helft van 2005 heeft Nederland samen met Duitsland een leidende rol, met name op het gebied van landstrijdkrachten. In 2006 zullen andere landen het voortouw hebben.