Gedweeë Kamerleden

Het gezag van de Staten-Generaal als hoogste democatisch orgaan van Nederland is aangetast door de gedweeë en weinig dualistische houding van de Tweede Kamer inzake de aanleg van de Betuwelijn en de Hoge Snelheids Lijn (HSL-Zuid). Dit is het spijkerharde vonnis dat de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten velt in haar eindrapport. De commissie, onder voorzitterschap van het Kamerlid Duivesteijn (PvdA), veroordeelt tevens het ministerie van Verkeer en Waterstaat als een ,,clientèle-departement'' en een ,,partijdig ambtelijk bolwerk''. Helaas worden deze ferme constateringen niet gevolgd door even ferme oplossingen. De nonchalance waarmee minister Peijs (Verkeer en Waterstaat, CDA) de kritiek op haar ministerie naast zich neerlegt, voorspelt weinig goeds.Het eindrapport van de commissie schetst een openhartig en ontluisterend beeld van de wijze van besluitvorming over de aanleg van de twee spoorlijnen. In beide gevallen betreft het infrastucturele werken die gepaard gaan met omvangrijke kostenoverschrijdingen. De HSL-Zuid zal omgeveer 6,5 miljard euro kosten; de Betuweroute 4,8 miljard euro. In 1990 werden de kosten voor deze goederenlijn nog geraamd op 1,13 miljard. De commissie-Duivesteijn sluit niet uit dat de kosten voor de spoorlijnen uiteindelijk nog hoger zullen uitvallen. Ondertussen blijft het tracé van de HSl-Zuid met een boortunnel onder het Groene Hart omstreden en worden nut en noodzaak van de Betuwelijn betwist.

De conclusie van de Tijdelijke Commissie dat de Tweede Kamer bij deze kwesties heeft gefaald, wordt wat te gemakkelijk getrokken. De fractie van GroenLinks heeft er in een reactie terecht op gewezen dat het steeds de drie grote partijen CDA, PvdA en VVD zijn geweest die uit overwegingen van zogenoemd strategisch monisme onvoldoende controle hebben uitgeoefend over de projecten. De Kamerleden Vos en Duyvendak (GroenLinks) bepleiten een ,,politieke cultuuromslag'' om aan die praktijk een eind te maken. Dit pleidooi is weliswaar sympathiek, maar toch ook naïef omdat de geconstateerde feilen inherent lijken te zijn aan de Nederlandse coalitiepolitiek.

De analyse van de commissie-Duivesteijn overstijgt, zoals de SGP-fractie ook heeft vastgesteld, de materie van de grote projecten en beschrijft eigenlijk in algemene zin de verhouding tussen parlement en regering. Daarbij heeft het kabinet bijvoorbeeld altijd een informatievoorsprong op de Tweede Kamer die haar moet controleren. Het advies van de commissie om een kennis- en adviescentrum voor het parlement op te richten, komt dan ook neer op een poging om bureaucratie met bureaucratie te bestrijden. Die wedstrijd wint de Tweede Kamer nooit. Zo is de oplossing ook niet gelegen in het veranderen van parlementaire procedures, zoals de commissie eveneens voorstaat. Wel schuilt veel waars in de mening van de SGP, die stelt dat versterking van de positie van het parlement Kamerleden met karakter vergt die een onafhankelijke positie durven in te nemen. Als het moet los van de dictatuur van het regeerakkoord.