Aardverschuiving in de textiel

De laatste handelsbelemmeringen voor kleding en textiel worden op 1 januari afgeschaft. Vooral China zal daar van profiteren: de textielexport zal naar verwachting stijgen van 45 tot 70 miljard dollar. Eerste deel in een serie over de verwachte aardverschuiving in de textielindustrie.

Textielconcern Nien Hsing is er klaar voor. De producent van stoffen voor onder meer spijkerbroeken – één van de tien grootste ter wereld – maakte eerder dit jaar bekend een gloednieuwe stoffenfabriek te hebben gebouwd die 1 januari gaat draaien. Het bedrijf breidt daarmee zijn productiecapaciteit uit van 4,4 tot 6,4 miljoen meter stof per maand. Van de productie komt 95 procent in de vorm van kleding terecht bij Amerikaanse warenhuizen als Wal-Mart en JC Penney.

Nien Hsing is één van de duizenden textielbedrijven in China, India en andere Aziatische landen die gaan profiteren van de afschaffing van de importbeperkingen op kleding en textiel per 1 januari. Op die dag komt er, althans in theorie, een einde aan ruim veertig jaar handelsbelemmeringen die bedoeld waren om de werkgelegenheid in de westerse textielindustrie te beschermen.

Maar de westerse textielindustrie geeft zich nog niet gewonnen. De VS overwegen de oude importbelemmeringen te vervangen door nieuwe, de Europese textielindustrie spoort de Europese Commissie aan om hetzelfde te doen. Anders staan 1 miljoen van de 2,7 miljoen banen in de Europese textielindustrie op de tocht, waarschuwde de Europese vereniging van textielproducenten Euratex eerder dit jaar. Tussen 1990 en 2000 verdween er al een miljoen banen in de Europese textielsector.

Europa en de VS hebben de import van katoenproducten uit Azië voor het eerst aan banden gelegd in 1962, in de GATT, de voorloper van de Wereldhandelsorganisatie WTO. In 1974 werden de handelsbeperkingen uitgebreid naar wol en synthetische vezels in het zogeheten multivezelakkoord, dat twintig jaar van kracht bleef en in de tussentijd vier keer werd vernieuwd. Het akkoord verbond de uitvoer van kleding naar het westen aan plafonds, die elk jaar met 6 procent werden verhoogd.

In de zogeheten Uruguay Ronde, in 1994, werd afgesproken alle handelsbelemmeringen voor textiel in tien jaar gefaseerd af te schaffen. Na voltooiing van de eerste drie stappen, in 1995, 1998 en 2002, golden voor 51 procent van het totale volume aan textielimporten geen beperkingen meer. De resterende 49 procent volgt op 1 januari 2005. Vanaf die dag valt de handel in alle textielproducten onder de gangbare WTO-regels voor vrije handel.

Aanvankelijk verliep de liberalisering van de textielhandel heel geleidelijk. Maar in 2001 werd China lid van de WTO en werden de westerse markten binnen de kortste keren overspoeld door goedkope kleding- en textielproducten uit China. In de productcategorieën waarin de handel tot nu toe vrijgegeven is, verwierf China in enkele jaren een flink marktaandeel: ruim 30 procent in Europa en 65 procent in de VS. De prijzen daalden volgens de Europese branchevereniging van textielproducenten Euratex in die categorieën met 50 tot 70 procent.

Hoe snel het kan gaan, bleek in 2002, toen het percentage van het totale importvolume waar geen beperkingen meer voor golden, werd opgetrokken van 33 naar 51 procent: in één jaar tijd steeg de export vanuit China naar de EU met 46 procent in waarde en met 192 procent in volume, zo blijkt uit EU-cijfers. Van de wereldhandel in kleding – die circa 200 miljard dollar groot is – valt nu nog ongeveer de helft onder beperkende maatregelen.

De WTO voorspelt dat, zodra die op 1 januari opgeheven worden, China zijn marktaandeel in de EU zal vergroten van 18 tot 29 procent. India stijgt van 6 tot 9 procent. In de VS is het verschil veel groter: daar stijgt het marktaandeel van China van 16 tot 50 procent en van India van 4 tot 15 procent, zo voorspelt de WTO.

De belangrijkste oorzaak voor dit verschil is dat landen zelf mochten bepalen welke textielproducten ze in welke fase vrijgaven – er gold immers alleen een volume-eis. De VS hebben in de eerste fasen vooral beperkingen op halffabrikaten en laagwaardige textielproducten geschrapt en de meeste kleding en hoogwaardige producten tot het laatst bewaard. Daardoor kan China in de VS nu pas dit hogere, lucratieve marktsegment betreden.

Een andere oorzaak is dat Europa behalve uit China, ook uit lagelonenlanden in Oost-Europa veel kleding importeert. Voor deze landen golden in de EU al langer geen handelsbeperkingen meer. De EU heeft ook al langer handelsakkoorden met landen als Turkije, Marokko en Tunesië, die vooral het modegevoelige segment van de kledingmarkt bedienen. Door hun geografische nabijheid kunnen ze sneller leveren dan concurrenten in China en India, wat een belangrijk concurrentievoordeel is. Mexico doet hetzelfde in de VS.

De verwachting is wel dat deze landen een groot deel van hun bulkproductie van bijvoorbeeld T-shirts, sokken en ondergoed zullen kwijtraken aan China. Voor landen als Bangladesh, Mauretanië, Sri Lanka en Cambodja is dat probleem nog veel groter, want als hun productie van bulkproducten ook naar China verdwijnt, blijft er weinig over. In deze landen vertegenwoordigt textiel bovendien zo'n 85 procent van de buitenlandse handel.

Daarmee vergeleken valt de schade voor de Europese textielindustrie mee. De sector heeft meer dan veertig jaar de tijd gehad om zich toe te leggen op de productie van hoogwaardige textielproducten, zoals technisch textiel, raambekleding, vloerbedekking, autobekleding en kunstgras. Desondanks is er nog altijd een groot aantal stoffenproducenten in de EU, en in Zuid- en Oost-Europa wordt ook nog veel kleding gemaakt. Italië is bijvoorbeeld een grote producent van designkleding.

Volgens brancheclub Euratex staan 1 miljoen banen in de Europese textielindustrie op de tocht door de afschaffing van de handelsbelemmeringen. De sector pleit dan ook al jaren, zonder succes, voor handhaving van enige vorm van beperkingen. Ze heeft haar hoop nu gevestigd op de WTO, die moet controleren of China zich aan de regels voor vrije handel houdt.

Euratex vindt nu al van niet: China zou zich schuldig maken aan prijsdumping, ongeoorloofde staatssteun (bijvoorbeeld in de vorm van leningen die nooit terugbetaald hoeven te worden) en het op grote schaal namaken van merkartikelen uit het westen, zonder dat daar tegen wordt opgetreden. Bovendien is de Chinese binnenlandse markt volgens de Europese textielproducenten nauwelijks toegankelijk voor de luxeproducten en het hoogwaardige technisch textiel dat zij produceren, terwijl dat op grond van de WTO-regels wel zou moeten.

De Amerikaanse textielindustrie, die vergelijkbare klachten heeft, heeft inmiddels een achterdeur gevonden om toch onder volledige vrijhandel uit te komen. Zij beroept zich op de bepaling dat WTO-leden het recht hebben om, als een plotselinge verandering in het handelsverkeer de binnenlandse markt dreigt te ontwrichten, een tijdelijk plafond in te stellen voor de groei van de handel in bepaalde producten. Met zulke zogeheten vrijwaringsmaatregelen, die de VS tot vorig jaar ook gebruikten om de import van staal te beperken, kan de volumegroei maximaal vier jaar lang tot 7,5 procent per jaar worden beperkt.

,,De Europese Commissie heeft toegezegd dat ze de textielimporten na 1 januari nauwgezet zal volgen, zodat dit soort vrijwaringsmaatregelen eventueel ook in Europa kunnen worden genomen', zegt directeur Cees Lodiers van de Vereniging Textielindustrie Nederland en van CRIET, de vereniging van Europese textielveredelaars, beide aangesloten bij Euratex. Brussel is doorgaans terughoudend met zulke maatregelen, maar als de VS ze wel treffen, kan Europa moeilijk achterblijven, denkt Lodiers. ,,De EU wil niet lijdzaam toezien hoe Amerika de import beperkt en alle textiel uit China vervolgens naar Europa komt.'

In de VS lopen inmiddels procedures om voor dertien textielproducten (van onder andere broeken, T-shirts en ondergoed), die samen goed zijn voor 58 procent van de kledingimport in de VS, zo'n tijdelijke belemmering in te stellen. De verwachting is niet dat alle dertien verzoeken zullen worden ingewilligd, maar het is evenmin waarschijnlijk dat ze alle dertien worden afgewezen. Analisten van zakenbank JP Morgan hebben berekend dat, zelfs als de import van alle dertien productcategorieën nog vier jaar wordt beperkt, de Chinese export naar de VS nog altijd ruim 15 procent per jaar zal stijgen.

Behalve door nieuwe (tijdelijke) importbeperkingen, zal ook de invoering van een exportbelasting op textielproducten, die China afgelopen maandag bekendmaakte, de groei van de export van Chinese textiel misschien iets temperen. Maar de producenten liggen daar niet wakker van. De analisten van JP Morgan verwachten evengoed een stijging van de export van kleding uit China van 45 tot 70 miljard dollar.

En in de praktijk? Kledingproducenten zijn in China ongeveer 30 procent van hun omzet kwijt aan lonen, dus bij een omzetstijging van één miljard dollar stijgen de loonkosten met 300 miljoen. Met een maandsalaris van gemiddeld zo'n 100 dollar per maand, betekent dat 250.000 man extra personeel erbij – oftewel het bouwen van tientallen nieuwe fabrieken. Voor de Chinese textielindustrie is dat een prima vooruitzicht: veel sneller kan de sector zijn productiecapaciteit toch niet uitbreiden.

Rectificatie / Gerectificeerd

Textiel

Het taartdiagram van de kledingexport naar de EU na afschaffing van de importbeperkingen per 2005, bij het artikel Aardverschuiving in de textiel (16 december, pagina 16) bevatte verkeerde percentages. De kledingimport van de EU uit `overig Centraal- en Oost-Europa' daalt van 9 naar 6 pct, uit Bangladesh van 3 naar 2 en uit de rest van de wereld van 30 naar 23 pct.