Onveilige bekentenissen

De verklaring van de verdachte geeft in tachtig procent van de strafzaken die eindigen met een vorm van sanctie-oplegging de doorslag, zo berekende de auteur van een boek over politieverhoren. Maar valse bekentenissen bleken in een Amerikaans onderzoek de derde reden voor rechterlijke dwalingen in moordzaken. Hoe kan iemand een levensdelict bekennen dat hij niet heeft begaan? Het meest frequente antwoord in de VS is iets in de trant van `ik wilde naar huis'. In de strafrechtspleging zit een ongeluk kortom in een klein hoekje. Rechterlijke dwaling komt in Nederland minder voor dan in de VS, is de indruk van deskundigen als de rechtspsycholoog Van Koppen, ,,en echt niet alleen omdat daar meer mensen wonen''. Maar nu hebben we toch met dit probleem te maken in de zaak van de Schiedamse parkmoord. Van Koppen maakte er met zijn studenten een boek over. De verdachte Cees B. had een bekentenis afgelegd, trok deze later weer in en werd toch veroordeeld tot 18 jaar. Eind vorige week stelde minister Donner (Justitie) de man in vrijheid, nadat deze al vier jaar had uitgezeten. Formeel gaat het om strafonderbreking; er volgt nog een herzieningsprocedure bij de Hoge Raad, waarvan de uitkomst niet vaststaat.

In het geval van Cees B. heeft zich een nieuwe verdachte gemeld. Dat was niet de verdienste van het openbaar ministerie, dat over de opsporing in strafzaken gaat. Toch weigerde een woordvoerder toen het nieuws op de televisie kwam zelfs maar een gebaar te maken naar Cees B. Het eigen gelijk stond voorop. Nu heeft het OM enige vasthoudendheid ook wel nodig. Het is, zoals Donner onlangs nog benadrukte, zijn plicht om naar vermogen elke serieuze strafzaak die een redelijke kans maakt door te zetten. Maar dat moet niet leiden tot een zich blind vastbijten in een zaak. Dat dit het instinct van de rechercheurs is, valt te begrijpen. Maar het is onprofessioneel en het OM hoort er boven te staan.

De vraag of het OM afstand in de zaak-B. heeft betracht, dient het ter harte te nemen – los van de herziening. Donner wees onlangs een PvdA-voorstel af om een onafhankelijke evaluatiecommissie voor het OM in te stellen, omdat dit verkeerde verwachtingen kan wekken en de rechtsgang doorkruist. Dat ontslaat het OM niet van de plicht zichzelf achteraf vragen te stellen. Een serieus systeem van `second opinions' binnen het OM zelf, terwijl een lastige zaak nog loopt, is overigens wel zo nuttig.

In elk geval is de verdediging van de minister dat de uiteindelijke toets toch altijd bij de rechter ligt, niet helemaal zuiver. Voorzitter Van Delden van de Raad voor de Rechtspraak kaatste naar aanleiding van de zaak-B. de bal dan ook terug. Waarom worden in dit soort zaken geen video-opnamen van de verhoren gemaakt, zodat de rechter zelf ziet hoe bekentenissen tot stand komen? Dat zou zeker helpen. Maar rechters kunnen ook zonder videobewijs op de zitting stevig doorvragen. In de zaak-B. is de kritiek dat zij dit onvoldoende hebben gedaan èn dat zij belangrijke bewijsverweren van de verdediging hebben gepasseerd zonder daaraan in hun vonnis een woord te wijden.

De motivering van rechterlijke vonnissen is in Nederland van oudsher een ondergeschoven kind. Al in 1867 klaagde een minister over ,,hol klinkende orakelspreuken''. Tegenwoordig heeft het motiveringsgebrek te maken met efficiency. Dat is een favoriete term van Donner waarmee de Raad voor de Rechtspraak veel te maken heeft. Dit is echter een bestuursorgaan. Over de juridische eisen aan de motivering van rechterlijke vonnissen gaat de Hoge Raad, hetzelfde college dat herzieningsverzoeken behandelt. De grote vraag is waarom de Hoge Raad geen ernst maakt met de motivering van strafvonnissen – nota bene een grondwettelijk voorschrift.