Koninklijke familie is rijk, maar niet superrijk

Koningin Beatrix is minder rijk dan gedacht, aldus prins Bernhard. Het vermogen van de koninklijke familie zou hooguit 200 miljoen euro bedragen.

Een kaartje voor de miljonairsfair, die afgelopen week in Amsterdam werd gehouden, zit er voor de koningin niet in. ,,Trix heeft niks'', zegt prins Bernhard in zijn nagelaten interview in de Volkskrant. ,,Ik geloof dat Trix haar vermogen minder is dan één miljoen.''

De prins, die eerder al het zakenblad Forbes wist te overtuigen van een 90 procent lagere schatting van het vermogen van de familie Oranje, komt met nieuwe cijfers. Het vermogen is niet meer dan 150 tot 200 miljoen euro.

Zo worden de mensen en sommige media elke keer weer teleurgesteld. De koningin is helemaal niet de rijkste vrouw ter wereld. En nooit geweest. De familie is wel rijk, maar behoort niet tot de superrijken.

Forbes zat nog niet zolang geleden op een geschat vermogen van 2,5 miljard dollar. In zijn dit jaar verschenen boek Het Oranje Kapitaal komt Quote-redacteur Philip Dröge op 1,24 miljard euro.

Bij het maandblad Quote zelf waren de fluctuaties in het geschatte kapitaal de afgelopen jaren heftig. De Oranjes staan in de meest recente lijst van de 500 rijkste Nederlanders op nummer dertien, met een bedrag van 1,1 miljard euro. Daarmee staan zij net achter Joop van den Ende, een van de grondleggers van tv-programmaproducent Endemol en net voor Joop van Oosterom, de medeoprichter van softwarebedrijf Volmac.

De positie van de Oranjes op de Quote-lijst geeft precies aan waarom zij wel rijk zullen zijn, maar niet superrijk. Er is tegenwoordig, afgezien van grootschalige fraude en corruptie, maar één manier om tot de echt rijken der aarde door te dringen: een bedrijf opbouwen en verkopen. Dat hebben de Oranjes nooit gedaan.

De legende dat de familie dankzij een slimme belegging van prins Hendrik bij de oprichting van Koninklijke Olie nog steeds een groot pakket aandelen bezit, is in 1992 al doorgeprikt. Toen werd wetgeving ingevoerd die grote beleggers met meer dan vijf procent van de aandelen van een bedrijf dwong om hun identiteit openbaar te maken. Daar waren de Oranjes niet bij.

Wie geen eigen onderneming tot bloei heeft gebracht, heeft maar twee andere manieren om tot de financiële bovenklasse door te dringen: een erfenis of beleggingen.

De erfenissen bestonden bij de Oranjes uit paleizen, juwelen, schilderijen, land en beleggingen, verminderd met stroppen op bijvoorbeeld Russische obligaties na de revolutie van 1917. Mooi spul, maar je wordt er geen miljardair meer mee.

Voor uitbreiding van hun beleggingen hadden de Oranjes contant geld nodig: zij moesten geld overhouden, net als de gewone man. Maar zo groot is hun rijkstoelage nooit geweest. Dat laat onverlet dat Bernhards schatting van het vermogen de resultaten van een oud-Hollandse deugd verbeeldt: zuinigheid met vlijt.