De Koning is onschendbaar

Ministeriële verantwoordelijkheid bestaat sinds de Grondwet van 1848. In artikel 42 staat dat de regering bestaat uit de koning en de ministers en verder dat de koning onschendbaar is en de ministers verantwoordelijk zijn. Formeel betekent dit dat ministers verantwoording af moeten leggen aan het parlement voor alle uitingen en handelingen van de koning. In de praktijk blijkt de ministeriële verantwoordelijkheid te voorzien in de behoefte van de democratisch gekozen volksvertegenwoordiging om al het bestuurshandelen van de regering (dus inclusief de koning) te kunnen controleren.

Vóór 1848 was de verhouding tussen koning en ministers andersom: de koning had veel macht, ministers konden worden beschouwd als zijn uitvoerende adviseurs die alleen aan hem verantwoording schuldig waren. De macht van het parlement was gering. De door Thorbecke herziene grondwet verlegde de grondwettelijke bevoegdheden van de Koning naar de ministerraad. De ministers werden verantwoordelijk gemaakt voor het handelen van de Koning, die zelf geen verantwoording mocht afleggen aan het parlement.

Waar het staatsrecht duidelijk is over wat de ministeriële verantwoordelijkheid in het dagelijks verkeer betekent voor het staatshoofd – voor al zijn doen en laten zijn ministers verantwoordelijk – geldt voor overige leden van het koninklijk huis het ,,ongeschreven staatsrecht''. Zo formuleerde premier Balkenende het nadat prins Bernhard een open brief had gepubliceerd in de Volkskrant over zaken die de prins dwars zaten.

Gisteren, bij het debat over de begroting van zijn ministerie, gaf Balkenende aan dat er een glijdende schaal is van de mate van ministeriële verantwoordelijkheid. Van geheel – het staatshoofd – naar nul voor de leden van de koninklijke familie die niet tot het koninklijk huis behoren.

Daartussenin zit categorie 2, de overige leden van het koninklijk huis. Voor hen zijn ministers minder verantwoordelijk. Hierbinnen geldt wat Balkenende betreft één soort waarvoor een hogere mate van ministeriële verantwoordelijkheid geldt: ,,Leden van het Huis (die) activiteiten verrichten die de koninklijke functie ondersteunen en voorzover daarbij door hun optreden het openbaar belang wordt geraakt.'' Het gaat daarbij om ,,de vermoedelijke troonopvolger, de prins van Oranje, de echtgenoot en echtgenote van de koning''.