Bijfiguren stellen Floris zelf in de schaduw

Opa Floris en ome Sindala, zo worden ze genoemd in de Floris-film die Jean van de Velde naar de beroemde televisieserie van Paul Verhoeven maakte. Opa Floris en ome Sindala, het is meteen heerlijk ontnuchterend.

Voordat de Floris-politie ons kan wijzen op de vele heiligschennende verschillen met hoe de late Middeleeuwen er in 1969 uitzagen, Rutger Hauer, Jos Bergman en zwart-wit televisie, kortom met Nederlands cultureel erfgoed, doen Jean van de Velde en scenarioschrijver Gerard Soeteman dat zelf al.

Vol eerbied herinnert Floris, zoon van Floris zich hoe heroïsch overzichtelijk de tijden van opa Floris en ome Sindala waren: een man een man, een zwaard een zwaard, een paard een paard. Van de Velde creëert daarmee in de eerste minuten van zijn film de speelruimte om zich zowel schatplichtig aan het origineel als tegendraads te betonen.

Van de Veldes Floris is een derdegeneratie Floris, iemand die niet wil vechten maar toneelspelen. Als zijn vertoornde vader (Victor Löw) na een van die theateruitvoeringen met lede ogen toeziet hoe zijn zoon niet de held, maar de maagd heeft gespeeld en uit zijn kostuum een voorloper van de siliconenborst haalt, besluit hij hem voortaan Titus te noemen. En even is de afstand tussen 1969 en nu, tussen provocateur Verhoeven en harmonisateur Van de Velde geslecht. Even is de film helemaal Verhoeven en dat is, samen met het feit dat Van de Velde verder onnadrukkelijk, maar standvastig zijn best doet om niet te veel Verhoeven te zijn, een mooi compliment.

Maar goed, Floris is dus dood. Hij mag nog even in een flashback uit de oude serie langs galopperen, in zwart-wit, omdat herinneringen en dromen van vroegere tijden altijd verkleurd zijn. Floris is dood en zijn door Michiel Huisman innemend neergezette kleinzoon merkt dat het bloed kruipt waar het niet gaan wil. Tegen wil en dank, en om respect van zijn vader te verwerven, moet hij het opnemen tegen de kleinkinderen van zijn grootvaders vijanden: Van Rossum junior (een blonde gothic-griezelige Daan Schuurmans) en Kleine Pier (Camilla Siegertsz) in de zoektocht naar een nagel van het Heilig Kruis. Hij krijgt daarbij hulp van een ver achternichtje van de fakir Sindala: het Chinese meisje Pi die als acrobate geld verdient op jaarmarkten.

Met Pi is meteen de grootste troef genoemd van Floris. Als de Nederlandse filmindustrie écht zoals die in Amerika was, dan werd er meteen een spin-off gerealiseerd die helemaal rondom het door zangeres Birgit Schuurman gepersonifieerde meisje draaide. Pi is grappig, slim, elegant en een redder in nood, met jurken die zich moeiteloos in een parachute laten omtoveren.

Het is niet altijd een goed teken als de bijfiguren de aandacht afleiden van de held, ook nu niet. Floris is geestig, kleurrijk en speels, maar de plot wordt bijeengehouden door duizenden van die geestig-kleurrijk-speelse invallen, waardoor je aandacht van het een naar het ander fladdert. En een beetje sloom vlindert bovendien. Er had wel wat meer tempo in gemogen hier en daar.

Waar Verhoeven zich, typerend, verlustigde in de banale en wrede verhoudingen tussen mensen, concentreert Van de Velde zich op een van zijn eigen preoccupaties met de thematiek van vaders en zonen (of dochters), maar zonder daar ook weer echt aan te durven toegeven. Hij kleedde Floris in flower power-achtige uitdossingen en wilde er vooral een vrolijke film van maken. Toch kan in me voorstellen dat Van de Velde net iets meer wilde met Floris dan alleen maar het afleveren van vrijdagavondfamilievermaak dat op zaterdagochtend een licht zoete nasmaak achterlaat en verder niets.

Al moet gezegd dat dat op zich al verdienstelijk genoeg is en dat Floris op punten wint van de andere Nederlandse familiefilms die deze wintermaanden in rap tempo zijn uitgekomen, van Erik tot Pluk.

Floris. Regie: Jean van de Velde. Met: Michiel Huisman, Birgit Schuurman, Victor Löw, Daan Schuurmans, Kees Boot, Yannick van de Velde, Linda van Dyck, Camilla Siegertsz, Loes Wouterson, Tara Elders. In: 98 bioscopen.