Weg met de eendimensionale visie op de islam

Wanneer onderscheid wordt gemaakt tussen een spirituele, een culturele en een politieke dimensie van de islam, zal de geneigdheid afnemen om alle problemen op één hoop te gooien, betoogt Gabriël van den Brink.

Beslissend in het debat over de islam is of men dit geloof als een allesomvattend fenomeen wil zien. Veel moslims zullen dat ongetwijfeld doen, al was het maar omdat elke godsdienst totaliserende pretenties heeft. Maar die claim moeten we vanuit een modern gezichtspunt naast ons neerleggen. Daarom maak ik onderscheid tussen een spirituele, een culturele en een politieke dimensie van de islam. Ik zal eerst toelichten wat ik daarmee bedoel om vervolgens aan te geven welke opgaven daaruit voortvloeien. Daarbij gaat het overigens niet om voorstellen tot praktisch handelen maar om het zoeken naar een inspirerend perspectief voor de komende tien jaar. Daar is bij alle commotie behoefte aan.

Meerzijdig

Om te beginnen moet religie niet zozeer als leer of wereldbeschouwing maar als een vorm van menselijke ervaring worden opgevat. Het dogmatische probleem of God al dan niet bestaat, is niet interessant. Veel belangrijker is de gewaarwording van het goddelijke. Deze term verwijst naar het moment waarop verzoening, eenwording of betrokkenheid ervaren wordt. Die ervaring kan zich op de meest uiteenlopende momenten in het leven aandienen. bijvoorbeeld wanneer het na jarenlange strijd ten slotte vrede wordt. Of wanneer twee geliefden met elkaar het bed delen. Maar evengoed wanneer we vergeving kunnen schenken aan iemand die ons iets misdeed. Gemeenschappelijk aan al die momenten is dat het besef van strijd, gemis of vijandschap verdwijnt en men de eenheid van het leven ondergaat. In het geloofsleven spelen deze ervaringen een voorname rol. Men kan religieuze tradities dan ook opvatten als pogingen om de ervaring van eenheid te duiden en te bevorderen.

Dit laatste geldt bij uitstek voor de islam. Er zijn weinig godsdiensten die het beginsel van de goddelijke eenheid zo veelvuldig zo sterk benadrukken. Dat blijkt onder meer uit de belijdenis die uitdrukkelijk de eenheid van het goddelijke poneert. En ook uit het besef dat men alleen tot innerlijke vrede komt, als men zich onderwerpt aan God en de eigen afhankelijkheid erkent. Verder uit een thema als de menselijke saamhorigheid, die tastbaar wordt in de gemeenschap van alle gelovigen. Ten slotte uit het thema van de mystiek waarin men op een persoonlijke en directe wijze het goddelijke zoekt. Dit alles maakt dat de islam een eigen spirituele dimensie heeft die zich niet laat herleiden tot een sociaal-culturele gedragscode.

Niettemin is duidelijk dat de islam óók culturele kanten heeft: de gedragingen en houdingen die in een gegeven groep als normaal gelden. Neem het gezinsleven. Zoals bekend gaat in veel islamitische landen de voorkeur naar een huwelijk tussen neef en (achter)nicht van vaderszijde uit. De Franse antropologe Germaine Tillion heeft echter aangetoond dat dit minder te maken heeft met het geloof dan met de endogame familiestructuur die al sinds mensenheugenis bepalend was voor het sociale leven rond de Middellandse Zee. Daarbij wordt niet in een vreemde familie maar in de eigen familie naar een bruid gezocht en neemt het huwelijksleven een sterk patriarchaal karakter aan. Maar dit patroon is niet specifiek voor de islam, het kwam vroeger ook voor in niet-islamitische gebieden zoals Spanje, Zuid-Italië of Griekenland.

Dit voorbeeld illustreert dat men geloof en cultuur niet mag vereenzelvigen en dat hun onderlinge relatie door historische factoren wordt bepaald. Nederland kende in het verleden een cultuur die ook sterk patriarchale trekken had. Dat geldt met name voor de boerensamenleving waarin de natuurlijke verschillen tussen man en vrouw een cruciale rol speelden (vruchtbaarheid), terwijl de technische mogelijkheden tot geboorteregeling zeer beperkt waren. Een belangrijk punt is evenwel dat Nederland net als andere westerse landen de afgelopen eeuw een proces van modernisering heeft doorgemaakt, terwijl dat in de Arabische wereld veel minder of zelfs helemaal niet is gebeurd. Het is dan ook niet vreemd dat migranten die van het platteland in Turkije of Noord-Afrika naar ons land kwamen, vaak grote moeite hebben om te begrijpen wat hier gaande is.

Een derde dimensie betreft de politiek en die heeft in de islam van meet af aan een belangrijke rol gespeeld. Mohammed was niet alleen profeet maar ook wetgever, bestuurder en veroveraar. Hij schiep een gemeenschap van gelovigen die tegelijkertijd een politieke eenheid was. Met als gevolg dat het religieuze en het staatkundige leven eeuwenlang dicht bij elkaar lagen. Dat begon pas te veranderen in de loop van de negentiende eeuw toen er meer moderne vormen van politiek werden ingevoerd en men een proces van secularisatie nastreefde. Deze ontwikkeling maakte echter na een tijd forse tegenkrachten los. Reeds in de eerste helft van de vorige eeuw stonden er religieuze leiders op die pleitten voor herinvoering van de islamitische wet. Zij verzetten zich tegen het westerse model en willen terugkeren naar de tijd dat religieuze en politieke gemeenschappen nog één geheel waren. Soms neemt dit fundamentalisme een vreedzame of gematigde vorm aan, maar er zijn ook extremisten die overgaan tot aanslagen.

Differentiatie

Het voordeel van de hier geschetste zienswijze lijkt mij dat niet alle problemen op één hoop gegooid worden. In feite brengt een moderne benadering van de islam niet één maar drie opgaven met zich mee. Met betrekking tot het geloofsleven is een hoge mate van terughoudendheid vereist. De vrijheid van godsdienst kan in een moderne samenleving niet opzij gezet worden. Die houding is echter onmogelijk, als het gaat om achterstanden van culturele en sociale aard. Wie uit respect voor de islam allerlei misstanden in het gezinsleven relativeert, bewijst niet alleen de moslims en hun kinderen maar ook de samenleving als geheel een slechte dienst. Wat dit aangaat zouden we onze eigen normen moeten aanhouden. Ten slotte staan we op politiek gebied voor een derde opgave. Namelijk bevorderen dat moslims in het kader van de rechtsstaat een actiever burgerschap ontwikkelen en repressief optreden zodra dat kader wordt overschreden. Dit laatste geldt a fortiori voor alle activiteiten die verband houden met aanslagen en geen enkel compromis rechtvaardigen.

Aldus zou men het vraagstuk van de islam niet alleen analytisch maar ook in praktische zin op een nieuwe manier kunnen benaderen. Daarbij moeten respecteren (van het geloof), investeren (op cultureel gebied) en rechercheren (op crimineel gebied) één onlosmakelijk geheel vormen. De vraag is uiteraard of moslims zich kunnen vinden in een dergelijke benadering. Ook in dit opzicht is een zekere differentiatie wenselijk. Er bestaan wel degelijk islamitische auteurs die een moderne zienswijze vertolken, maar de moeilijkheid is dat zij weinig aanhang hebben onder de gelovigen. Er zijn kennelijk blokkades die verhinderen dat moderne denkbeelden tot een grote groep van moslims doordringen. Daarbij kan men op basis van het onderscheid tussen geloof, cultuur en politiek drie problemen aanwijzen.

Een eerste blokkade is het gebrek aan denkvrijheid met betrekking tot de koran. Moslims begrijpen de koran als het woord van God. Het is weliswaar op een zeker moment aan Mohammed geopenbaard, maar het staat verder buiten de geschiedenis. Over de vraag hoe deze tekst moet worden opgevat wordt al eeuwenlang getwist. Er ontwikkelden zich uiteenlopende leerscholen variërend van relatief liberale tot zeer orthodoxe stromingen. Toch getuigen ze allemaal van een geesteshouding die men – bezien vanuit de Verlichting – slechts als dogmatisch kan betitelen. Er bestaat een fundamentele spanning tussen een moderne mentaliteit en de wijze waarop vele moslims over hun geloof denken. Om die op te lossen zijn twee vernieuwingen noodzakelijk. De eerste betreft de status van de koran. Men kan alleen een modern geloof ontwikkelen, wanneer men de boodschap van de profeet mede in zijn historiciteit en niet alleen als Gods eigen woord beschouwt. Ten tweede zou men zijn geloofsleven moeten opvatten als een specifiek domein en niet als iets wat alle facetten van het menselijk bestaan omvat.

Een volgend obstakel is het sociaal-culturele isolement van veel moslims die in het Westen woonachtig zijn. Uit de Rapportage Minderheden 2003 blijkt dat dit probleem ook in Nederland aanzienlijk is. Daarbij spelen onder meer demografische factoren mee. Bij de meeste Turken en Marokkanen gaat de voorkeur uit naar een huwelijkspartner in het land van herkomst. Verder blijven belangrijke verschillen op sociaal-economisch vlak bestaan. Hoewel hun positie op de arbeidsmarkt tijdens de hoogconjunctuur van de jaren negentig verbeterde, zijn Turken en Marokkanen relatief vaak werkloos. Ten slotte zijn er hardnekkige achterstanden in het onderwijs. Tegen deze achtergrond is het niet vreemd dat de sociaal-culturele integratie van moslims in Nederland stagneert. Volgens het SCP bestaat bij Turken en Marokkanen nog altijd een sterke gerichtheid op de eigen groep. Het is duidelijk dat de gevolgen van dit isolement voor de migranten zelf nadelig uitpakken. Toch is het niet juist om hen slechts als de onschuldige slachtoffers van een hardvochtige samenleving af te schilderen. Zij dragen zelf het nodige tot deze situatie bij en maken onvoldoende gebruik van de kansen die het moderne leven biedt.

Het derde obstakel ligt in het feit dat nogal wat moslims vijandschap tegenover het Westen koesteren. De islam stond eeuwenlang voor een machtig rijk dat een hoog ontwikkelde beschaving had. Voor hun gevoel van eigenwaarde houden vele moslims de herinnering aan dit grootse verleden vast. Des te ondraaglijker was de vernedering toen Europese grootmachten grote delen van de islamitische wereld aan zich onderwierpen. Het verkrijgen van nationale zelfstandigheid hief deze vernedering niet op. In menig land werden religieuze bewegingen hardvochtig onderdrukt door een regime dat economische, politieke of militaire banden met het Westen had. Daardoor bleef het ressentiment intact. Zo ging de islamitische wereld zich zien als het slachtoffer van de westerse hegemonie. Hoewel dit sentiment in de Arabische wereld het meest heftig is, werkt het ook in Europa door. Per slot van rekening bereiken de anti-westerse verhalen via schotelantennes ongecensureerd de Europese huiskamers. Maar het blijft ten onrechte. De werkelijkheid is dat gelovige moslims in het Westen méér rechten en vrijheden hebben dan in menig islamitisch land. Daarom mag in termen van loyaliteit en burgerschap wel iets meer van hen gevraagd worden.

Nauwelijks secularisering

In deze benadering zijn het dus niet alleen de autochtone Nederlanders die met een drieledige uitdaging worden geconfronteerd. Voor de moslims geldt hetzelfde. Ten eerste zouden ze een eigen interpretatie van het geloof moeten ontwikkelen. Ten tweede zou er meer aansluiting moeten zijn met de sociaal-culturele codes die in ons land voor normaal doorgaan. Ten derde zou men als burger actiever aan het openbare leven kunnen deelnemen. De vraag is echter hoe realistisch deze wensen zijn. Uit een recent onderzoek naar het geloofsleven van Rotterdamse moslims kan worden afgeleid dat het langzaam de goede kant opgaat, maar er zijn ook een paar zorgelijke verschijnselen.

Zo blijkt dat het geloof nauwelijks aan een proces van secularisering onderhevig is. Van de Turken zegt 87 procent en van de Marokkanen zelfs 97 procent dat de islam voor hen een grote persoonlijke betekenis bezit. De onderzoekers signaleren wel een toenemende diversiteit aan denkbeelden. Verder beschouwt tweederde van alle moslims de islam als een persoonlijke zaak tussen God en de gelovige. Wat zich aldus aftekent, is geen secularisatie maar een privatisering van het geloofsleven. Dit biedt tevens ruimte voor radicale denkbeelden. Er is bijvoorbeeld een groeiende belangstelling voor het wahabisme onder hoogopgeleide jongeren. Ze streven naar een zuivere islam die niet langer aan tradities van culturele of nationale aard gebonden is. Ze zoeken via boekhandel of internet naar teksten die een strikte interpretatie van de leer voorstaan en kunnen zo gemakkelijk worden gerekruteerd voor de politieke jihad. De moord op Theo van Gogh heeft aangetoond dat men het risico van dit soort fundamentalisten niet mag verwaarlozen.

Een tweede conclusie uit het onderzoek onder Rotterdamse Turken en Marokkanen is dat moslims het geloof steeds minder in de praktijk brengen. Dat geldt met name voor degenen die door opleiding, taalgebruik, vriendenkring, betaalde baan of anderszins al een behoorlijke mate van sociale integratie bereikt hebben. Tegelijkertijd is er een groep die buiten de moderne samenleving staat en het geloof in sterke mate praktiseert. Juist hun grote betrokkenheid bij de eigen religieus-culturele groep staat integratie in de weg.

Ten slotte heeft het SCP onderzoek gedaan naar politieke aspecten van de islam. Het gaat om de vraag in hoeverre moslims in het publieke leven een eigen plaats voor de islam opeisen en welke middelen zij daartoe willen inzetten. Over het algemeen roept het verspreiden van de islam de nodige reserves op, vooral bij degenen die het geloof als iets persoonlijks opvatten. Maar er duiken ook een aantal gevoeligheden op. Zo denkt men niet hetzelfde over het recht op vrije meningsuiting voor ongelovigen. Dat recht wordt door 75 procent van de autochtone jongeren, door 17 procent van de Turkse en door slechts 7 procent van de Marokkaanse jongeren gesteund. Bij eventuele acties houden de meesten de rechtsstaat in het oog. Slechts een kleine minderheid van 5 procent is bereid tot het inzetten van illegale actiemiddelen.

Men kan niet uitsluiten dat deze minderheid als gevolg van spanningen nog groeit. Volgens het SCP moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van etnisch-religieuze frontvorming bij Turken en Marokkanen die zich bedreigd voelen door uitsluiting en racisme.

Precaire situatie

Wat moet nu de conclusie uit dit alles zijn? We zien dat op elk van de genoemde gebieden de situatie precair is. Met betrekking tot het geloof in strikte zin doet zich een zekere privatisering voor. Velen zullen voor een gematigde variant kiezen, maar er is ook een groep die voor het fundamentalisme kiest. De grootte van deze laatste groep is vooralsnog onduidelijk. Met betrekking tot de sociaal-culturele aspecten van de islam geldt hetzelfde. Tal van moslims nemen via onderwijs en arbeidsmarkt deel aan de Nederlandse samenleving, maar er is ook een groep die zich terugtrekt in het besloten leven rond de moskee. Met betrekking tot de politieke aspecten van de islam weten we dat er een radicale minderheid bestaat die langs ondemocratische weg een eigen plaats voor het geloof opeist. Deze groep wordt gevaarlijker naarmate uitsluiting en racisme in het openbare leven toenemen. Anders gezegd: op elk van deze drie gebieden kan het dubbeltje de goede én de verkeerde kant opvallen. Juist daarom is het van eminent belang dat wij een antwoord geven op de vraag hoe de situatie over een jaar of tien in Nederland zou moeten zijn. Het kost ongetwijfeld moeite daarover eigen denkbeelden te ontwikkelen. Het kost nog méér moeite om over zulke denkbeelden een zekere consensus te bereiken. En de moeite die het kost om zulke denkbeelden te realiseren, is haast oneindig groot. En toch zullen wij die moeite moeten doen, omdat we anders de weg van intellectuele verwarring, culturele uitsluiting en politieke verkettering inslaan.

Gabriël van den Brink is socioloog. Dit is een ingekorte versie van het FORUM-essay over een moderne visie op de islam in Nederland. Vanavond wordt er in de Rode Hoed te Amsterdam een debat over gehouden. Minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie) zal hier het essay in ontvangst nemen.