Niet langer bedelen om voedsel

Volgens de VN heeft China niet langer voedselhulp nodig maar zou het juist andere landen moeten helpen. Probleem is evenwel dat de Chinese welvaart zeer ongelijk is verdeeld. Juist de boeren zijn het slachtoffer van economische ontwikkeling.

China heeft niet langer buitenlandse voedselhulp nodig. Het zou juist meer voedselhulp aan andere landen moeten verstrekken.

Dat is althans de mening van de directeur van het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties, James Morris, die gisteren in Peking met premier Wen Jiabao heeft gesproken over China's bijdrage aan het VN-voedselprogramma (WFP).

Morris vindt dat Peking te weinig bijdraagt aan het WFP, en hij hoopt dat China in de toekomst veel meer gaat geven voor armoedebestrijding in de rest van de wereld. ,,China heeft de wereld veel te geven, veel hersenkracht, veel ervaring en zeker ook veel middelen'', zei Morris gisteren in Peking tegen journalisten. ,,China is één van de belangrijkste landen in de wereld, dus ik ga ze vragen om ons meer te helpen.''

Het WFP steunt nu nog voor het leeuwendeel op bijdragen van de Verenigde Staten, de Europese Unie en Japan.

Momenteel verleent het Wereldvoedselprogramma nog graanhulp aan zo'n twee miljoen boeren in arme berggebieden in China, maar dat is eind 2005 afgelopen. Dan heeft het programma over een periode van 25 jaar zo'n 35 miljoen Chinese boeren van voedselhulp voorzien.

,,China heeft de capaciteit opgebouwd om zijn eigen problemen aan te pakken. Het heeft ons niet meer nodig'', zo verklaart Morris zijn besluit.

De beslissing van Morris klinkt logisch genoeg: China's economie groeit elk jaar als kool, het land wordt steeds rijker, dus waarom zou de wereld nog langer voedselhulp aan China verstrekken?

Maar China's werkelijkheid is weerbarstiger dan de hoge groeicijfers doen vermoeden. Vorig jaar, toen China een economische groei van ruim 9 procent realiseerde, nam het aantal Chinezen dat in absolute armoede leefde, voor het eerst in vijfentwintig jaar niet af, maar juist toe. Dat heeft alles te maken met de ongelijke verdeling van de economische ontwikkeling in de verschillende delen van China. De steden ontwikkelen zich voorspoedig, maar juist de armere delen van het platteland blijven steeds verder achter. In 2003 verdienden stedelingen gemiddeld ruim drie keer zo veel als boeren, terwijl die verhouding zo'n tien jaar terug nog maar 2 op 1 was.

Li Ping, als expert op het gebied van de Chinese landbouw werkzaam voor het Amerikaanse Rural Development Institute (RDI) en zelf een voormalige boer, denkt dat die situatie niet snel zal verbeteren. ,,Om die ongelijkheid terug te brengen naar een situatie waarin stedelingen niet meer dan het dubbele verdienen van boeren, zou de overheid zo'n 1,3 triljoen yuan (119 biljard euro) in plattelandsontwikkeling moeten investeren'', aldus Li tijdens een recente lezing in Peking. ,,Op het moment investeert de overheid maar iets meer dan één tiende van dat bedrag.''

Het RDI is een organisatie van juristen die zich inzetten om de landrechten van arme boeren veilig te stellen. Juist in de beperkte bescherming van de landrechten van boeren in China zit volgens Li Ping het grote probleem.

Met het aantreden van China's nieuwe generatie regeringsleiders in maart 2003 is er veel meer openbare aandacht gekomen voor de moeilijke situatie waarin veel boeren verkeren, maar daarbij ligt de nadruk van de overheid vooral op het geleidelijk aan afschaffen van de landbouwbelastingen.

Volgens Li Ping is het afschaffen van die belastingen echter vooral van symbolische waarde. Om de situatie van de boeren wezenlijk te verbeteren, is volgens Li een intensiever en beter gebruik van landbouwgrond nodig. Dat kan alleen gerealiseerd worden als de boeren zich meer dan nu de eigenaar voelen van het land dat ze bewerken. Pas dan gaan de boeren in de kwaliteit van hun landbouwgrond investeren, redeneert Li. Pas dan zal de nu nog lage opbrengst per hectare en daarmee het inkomen van de boeren omhoog gebracht kunnen worden.

,,In China is de gemiddelde graanopbrengst per hectare 4.850 kilo, in Zuid-Korea 6.300 kilo. Daar ligt dus nog een groot ontwikkelingspotentieel'', aldus Li Ping.

Maar de boeren die land bewerken dat formeel nog steeds in bezit is van de staat en die het land in principe voor een periode van dertig jaar pachten, worden steeds vaker van hun land gezet omdat de overheid het opeist voor de aanleg van wegen en de uitbreiding van steden. Lokale overheden gaan er juist door de sterke economische groei vaak toe over om het boerenland `ten nutte van het algemeen' tegen een zeer geringe compensatie in te nemen, om het dan voor goed geld te verpachten aan projectontwikkelaars.

Boeren moeten volgens Li het recht krijgen om hun land zelf rechtstreeks aan projectontwikkelaars of aan anderen te verpachten, zonder dat de lokale overheid het land eerst tegen een irreëel lage vergoeding en onder dwang van de boeren afneemt. Dan ontstaat er een werkelijk gevoel van eigendom, en dan vloeit de nieuwe stedelijke welvaart ook naar de zakken van de boeren. ,,Nu zijn het vooral de boeren die China's nieuwe stedelijke welvaart bekostigen'', zegt Li.