Iran mag de EU niet langer voor de gek houden

Nu de regering Bush aan de zijlijn staat, is het aan de Europese Unie om het nucleaire gevaar van Iran in te dammen, meent Stuart E. Eizenstat.

Het nucleaire gevaar Iran zou wel eens een van de grootste problemen kunnen worden waarmee de regering-Bush in haar tweede termijn te maken krijgt. Iran wordt ook de vuurproef voor het prille buitenlandse en veiligheidsbeleid van de Europese Unie, die met diplomatie, economische prikkels en multilaterale instanties probeert de wereldproblemen op te lossen.

Nu de regering-Bush een beleid heeft van alleen sancties en geen overeenkomsten met het radicale regime in Teheran, staat zij langs de zijlijn en heeft de EU de unieke mogelijkheid om de leiding te nemen in een aangelegenheid die van essentieel belang is voor de veiligheid in het Midden-Oosten en het Westen.

Het nucleaire akkoord waarbij Iran heeft toegezegd zijn productie van verrijkt uranium te zullen opschorten, dat door Engeland, Frankrijk en Duitsland is uitgewerkt en onlangs is goedgekeurd door het Internationaal Atoomenergie Agentschap (het IAEA, dat 35 landen vertegenwoordigt), is een belangrijke eerste stap. Maar de Europese Unie moet meer doen.

Alleen dromers kunnen twijfelen aan de Iraanse plannen om een compleet nucleair wapenprogramma te ontwikkelen waarbij langeafstandsraketten worden voorzien van kernkoppen. Ali Shamkhani, de Iraanse minister van Defensie, heeft in het openbaar gesnoefd dat Iran een verbeterde versie van zijn Shahab-3-raket, met een bereik van tweeduizend kilometer, in grote hoeveelheden zou kunnen produceren. Daarmee zou Iran uiteindelijk een raket verwerven die in staat is Israël, heel het Midden-Oosten en de oostelijkste landen van de Europese Unie met kernladingen te bereiken.

De bewering van Iran dat zijn werk aan de zuivering van uranium door middel van ultracentrifuges uitsluitend vreedzame, civiele doeleinden dient, is niet geloofwaardig. Een land met de immense gas- en oliereserves van Iran heeft geen civiel nucleair programma nodig.

De drie EU-landen verdienen lof voor de opvatting dat een overeenkomst met Iran niet mogelijk was zolang dat land zijn twee dozijn uraniumcentrifuges niet buiten gebruik stelde. Maar zij mogen zich nog niet op de borst kloppen. Nu de Europese Unie zich opmaakt voor onderhandelingen over de baten die de overeenkomst Iran zal opleveren, dient zij haar succes op drie manieren te bestendigen.

Als eerste test moet de zekerheid worden verkregen dat Iran de Europese Unie niet voor de gek houdt; hiertoe dienen de inspecteurs van het IAEA alle vrijheid te krijgen om op de naleving van het nieuwe akkoord toe te zien. De EU mag Iran geen concrete economische gunsten verlenen zolang er geen breed inspectieregime gevestigd is. Dit is des te belangrijker omdat Iran beweert dat het louter uit vrije wil heeft gehandeld, dat het zich het recht voorbehoudt om een civiel nucleair programma te ontwikkelen, dat het zijn programma alleen maar opschort en niet ontmantelt, en dat het het IAEA niet zal toestaan zijn centrifuges daadwerkelijk te verzegelen.

Ten tweede moet de Europese Unie voldoende pressiemiddelen behouden om Iran te dwingen inspectie toe te laten van onderdelen van zijn nucleaire programma die niet onder de eerste EU-Iraanse overeenkomst vallen.

Andere manieren om kernwapens te produceren, zoals door middel van de productie van plutonium in een installatie in Arak, vallen buiten dit akkoord. Anders dan uraniumverrijking, die zowel voor civiele als voor militaire doeleinden kan dienen, is de productie van plutonium de meest geschikte manier om compacte kernkoppen te maken.

Het akkoord dat de Europeanen tot stand hebben gebracht, verschaft het IAEA ook geen toegang tot de militaire bases van Iran, waar volgens recente inlichtingen wordt gewerkt aan de hoogexplosieve middelen die dienen om kernwapens te ontsteken.

Terecht heeft de EU zich geconcentreerd op de uraniumverrijkingscapaciteit van Iran, die dichter bij voltooiing is dan de plutoniumproductie. Maar dit moet een begin zijn, niet een einde.

In de derde plaats heeft de EU zich voorgenomen om het Israëlisch-Palestijnse conflict tot de hoeksteen van haar gemeenschappelijke buitenlandse beleid te maken. Sinds de Oslo-akkoorden van 1993 hebben de radicale heersers van Iran zich onafgebroken fel tegen vrede met Israël verzet. Zij streven openlijk naar vernietiging van Israël. De EU dient haar nieuwe relatie met Iran te benutten om erop aan te dringen dat Iran zijn financiële steun aan terroristen die proberen het vredesproces in het Midden-Oosten te saboteren, staakt.

Alles bij elkaar is dit een hele opgave voor de Europese Unie, die nog maar weinig ervaring heeft met gezamenlijk optreden op het gebied van de mondiale veiligheid. Maar de EU ergerde zich altijd dat zij tweede viool moest spelen naast de Verenigde Staten, en heeft altijd heel graag gelijkwaardig willen meespelen in het internationale beleid. Voor wat de westerse diplomatie jegens Iran betreft heeft de EU het roer nu in handen. Uit de wijze waarop de EU verder koers houdt zal blijken hoe rijp zij is op het gebied van het buitenlandse beleid, en of haar gebruik van internationale wapeninspecties en economische prikkels vruchten kan afwerpen.

Stuart E. Eizenstat leidt de afdeling internationale zaken van de juridische firma Covington & Burling. Hij heeft verscheidene hoge posities bekleed onder president Clinton waaronder ambassadeur voor de EU.

© New York Times Syndicate