`Ik lijk wel wat op Bernhard'

Hij beschouwt Bernhard als een tweede vader. Pieter Broertjes, eerst zoon en dan pas hoofdredacteur, vertelt hoe het lukte. `Ik plófte!'

Hoofdredacteur Pieter Broertjes van de Volkskrant juicht nog net niet aan de telefoon. Hij heeft vijf minuten, dan moet hij optreden in het Journaal.

Proficiat.

,,Ha! Dank u!''

Heeft de Rijksvoorlichtingsdienst al contact met u opgenomen?

,,Nee.''

De RVD wist van niets. En de koningin ook niet. Zou zij echt niet op het laatst zijn ingelicht door Bernhard?

,,Ik weet zeker van niet.''

En uw eigen redactie?

,,De zes personen in het colofon van de bijlage. Verder hebben we het geheim weten te houden. Men is hier verbijsterd.''

Dat moet spannend zijn geweest.

,,Ik was als de dood! Ik was zaterdag nog bij de begrafenis en ik plófte bijna!''

Wat hebt u dat bijvoorbeeld Bezige Bij-directeur Robbert Ammerlaan niet heeft? Hij voerde ook jarenlang gesprekken met de prins om zijn memoires op te tekenen – maar daar maakte Bernhard een einde aan.

,,Als het om mij persoonlijk gaat: ik had een enorm vertrouwen van de prins. Het heeft met mijn vader te maken (generaal Broertjes, een oude strijdmakker van Bernhard, red.) Eind jaren '90 ontmoette ik Bernhard voor het eerst. Hij wilde weten of ik op mijn vader leek. Toen mijn vader begin dit jaar overleed heb ik dat stokje overgenomen.''

U liet zich daarover begin deze maand nog interviewen in Vrij Nederland. Daar noemde u Bernhard een vader. En daar zei u dat die vertrouwelijke band zwaarder weegt dan uw hoofdredacteurschap.

,,Ja. Dat is ook zo.''

Bij die passage gingen onder journalisten nogal wat wenkbrauwen omhoog. Waarom gaf u dat interview, zeker achteraf bezien?

,,Dat kwam zo uit...''

En u wilde zien of u een pokerface kon houden?,,Nou... ik hou er wel van een beetje de rand op te zoeken. Ik lijk wel wat op Bernhard, hoor.''

Hebt u Jan Tromp naar al die gesprekken meegenomen om te voorkomen dat u uit sympathie voor uw tweede vader alles maar opschreef?

,,U zegt het te streng. Maar het was goed om het samen te doen. Je moet ook met íemand praten, bij zo'n onderneming.''

In februari van dit jaar publiceerde uw krant al een geruchtmakende open brief van Bernhard. Hij schreef daarin niets over zijn twee buitenechtelijke dochters terwijl u toen dus al wist dat zij bestaan.

,,Ja.''

Gebruikte Bernhard die brief om u te testen?

,,Zo heeft het achteraf wel uitgepakt, ja.''

Hoe combineert u zoiets nou met uw journalistieke geweten?

,,Soms moet je je nieuws even ophouden. Ik wist dat het uiteindelijk goed zou uitpakken. En het was zíjn brief.''

Dat gold niet voor de necrologie die u na Bernhards overlijden publiceerde. Die was, blijkt nu, op meer punten onvolledig en u wist dat.

,,Dat klopt. Maar als ik dat soort journalistieke mores had laten prevaleren, dan was dit niet mogelijk geweest. We zouden dit postuum publiceren. En ik ben een man van mijn woord. Net als Bernhard. Het gaat hier ook om een nieuw genre – ik noem het een `postuum journalistiek testament'. Er waren nog geen gebaande paden voor. We hebben zelf moeten uitvinden wat verantwoord is. En dat was niet makkelijk. Toen al die vrienden met hun verhalen kwamen! Het stuk van Martin van Amerongen in De Groene Amsterdammer!''

Waarom publiceert u juist vandaag?

,,Omdat dit het eerste moment na de begrafenis was – in de krant van gisteren moesten we daarover nog berichten. En omdat het Nationaal Archief vandaag stukken over Bernhard openbaar maakt.''

Staat daar soms iets in dat door uw scoop moet worden weggeblazen?

,,Dat weet ik niet. Nee, echt niet!''