Genocide onder Armeniërs duurde meer dan 25 jaar

`De Armeense genocide' – in het debat over Turkse toetreding tot de EU gisteren opnieuw aan de orde gesteld door Frankrijk – wordt doorgaans gesitueerd in het oorlogsjaar 1915. Het aantal slachtoffers onder de (christelijke) Armeense minderheid in Turkije wordt geschat op anderhalf miljoen.

In feite verliep de genocide in etappes: ze begon in 1894-1896, toen in diverse massaslachtingen 200.000 Armeniërs werden vermoord. In 1909 vermoordden de Turken 25.000 Armeniërs in Adana. Na het dieptepunt in 1915 en 1916, toen meer dan een miljoen Armeniërs werden gedeporteerd en zeker 800.000 van hen op doorgaans afgelegen plekken – vooral in Syrië – werden vermoord, ging het moorden door. In 1918 werden in Russisch Armenië 198.000 Armeniërs vermoord en in 1920 in Alexandropol nog eens 60.000.

De massamoord op de Armeniërs was niet de enige op een christelijke minderheid. In de loop van de negentiende eeuw verzwakte Turkije en groeide, onder invloed van het in kracht toenemende nationalisme in Europa, het nationalisme onder de niet-Turkse minderheden. Zij werden een potentieel gevaar voor het Ottomaanse Rijk. Bij de Griekse opstanden van 1821 en 1822 werd al genocide gepleegd, en genocide was ook het antwoord van de Turken op de diverse Bulgaarse opstanden. In de jaren vijftig van de negentiende eeuw werden in Libanon 40.000 christenen – maronieten – vermoord.

De genocide op de Armeniërs was gepland en georganiseerd. De Turkse overheid – de Jong Turken die in 1908 aan de macht waren gekomen – wilde de potentieel gevaarlijk geachte grote christelijke minderheid simpelweg elimineren. Ze zag haar kans schoon toen Europa in 1914 in brand vloog. Talaat Pasha, de `sterke man' van het regime en later grootvizier (premier), leidde de deportatie en de massamoord vanuit zijn eigen huis, met hartelijke steun overigens van de Oostenrijkse en Duitse ambassades.

Turkije ontkent tot op de dag van vandaag de genocide. Toch is er één periode geweest waarin het zijn schuld toegaf: in 1918, toen onder druk van de Westerse geallieerden hoofddaders werden berecht. Talaat Pasha, die Turkije aan het eind van de oorlog aan boord van een Duits oorlogsschip was ontvlucht, werd bij verstek ter dood veroordeeld. In het vredesverdrag van Sèvres (1920) werd de Turkse schuld vastgelegd. Maar drie jaar later had het Westen de belangstelling verloren en toen de nieuwe leider Atatürk begon aan zijn poging van Turkije een modern land te maken, verdween het verdrag van Sèvres in de prullenbak en kwam er een nieuw vredesverdrag, dat van Lausanne, waarin de massamoord met geen woord meer werd vermeld.

Talaat Pasha boette uiteindelijk wel: hij werd in 1921 in Berlijn vermoord. Door een Armeniër.