De prins postuum

In kwesties prins Bernhard betreffende geldt in Nederland al jaren de vergoelijking: het kan eigenlijk niet, maar het mag wel omdat hij het is. Maar met het gedurende ruim drie jaar in het geheim voorbereide interview dat vanochtend postuum in De Volkskrant werd gepubliceerd, betreedt Bernhard toch nog weer onbekend terrein. En dat is knap voor iemand die dood is.

Is de magie van de monarchie er nu definitief af? De constitutionele monarchie functioneert immers bij de gratie van een zorgvuldig opgebouwde afstand tussen koninklijk huis en burger. Onkreukbaarheid, integriteit en een goede antenne voor staatsrechtelijke verhoudingen – de ministeriële verantwoordelijkheid als eerste – zijn daarvoor vereist. Op al die punten scoort Bernhard, nu ook naar eigen zeggen, niet geweldig. Het woord ministeriële verantwoordelijkheid is ,,nooit tot mij doorgedrongen'', zegt hij. Voor de politiek koestert hij nu openlijk dédain. In de Lockheedkwestie kwam hij pas achteraf tot het inzicht dat hij fout zat. Dat is een kwestie van zelfoverschatting geweest, mogelijk door een omgeving die te weinig kritisch was, en een teveel aan persoonlijk succes. De Prins der Nederlanden vraagt niet om commissie, zo luidt zijn juiste, maar wel laat verworven inzicht, dat ook niet zo moeilijk is.

Naast zijn gezin had de prins nog twee dochters, blijkt nu. Op vakantie met zijn vrouw nam hij jarenlang in overleg één van zijn vriendinnen mee. Dit werpt in ieder geval nieuw licht op de persoonlijke omstandigheden waaronder koningin Juliana jaren heeft moeten leven. Zij vond het goed, begrijpen we van Bernhard. Maar navragen kunnen we het niet. Het werpt (wederom) een navrant licht op het erfelijk koningschap, dat om sprookjeshuwelijken vraagt en waarbij persoonlijke vrijheid niet vooropstaat.

Het feit van het interview zelf heeft nog de meeste betekenis. Het staatshoofd noch de premier is er, voorzover bekend, in gekend. De gesprekken kwamen zelfs bewust achter de rug van de regering om tot stand. Politieke toestemming was er dus niet. Eerder dit jaar nam Bernhard per ingezonden stuk in de Volkskrant ook het woord. Toen was de premier wel ingelicht en had hij ingestemd. Het staatsrechtelijke oordeel was toen dat de ministeriële verantwoordelijkheid voldoende vrijheid biedt om een lid van het koninklijk huis dat geen aanspraak kan maken op de troon en aan het einde van z'n leven is, enkele particuliere kwesties publiekelijk te laten ophelderen. Zoiets brengt de monarchie niet in gevaar. Maar geldt dat ook voor een postuum gepubliceerd, klassiek `kiss-and-tell' vraaggesprek, waarin de prins nog één keer alle regels aan zijn laars lapt?

De conclusie dringt zich op dat het voor het functioneren van een constitutionele monarchie essentieel is dat leden van het koninklijk huis het kabinet in staat stellen om hun ministeriële verantwoordelijkheid waar te maken. De wijze waarop het ingezonden stuk door Bernhard werd gepubliceerd dwingt daarom meer respect af dan zijn geheime interview dat kennelijk (deels) gelijktijdig werd gegeven. Het is van tweeën één: of men is lid van het koninklijk huis en dus gebonden aan de regels waarvoor nu nog voldoende parlementaire steun is. Of men is dat niet en kan zich dan naar hartelust laten interviewen. Over dit handelen van prins Bernhard moet dus (toch) het oordeel zijn: dit kan niet. Maar echt heel belangrijk is het niet meer.