Dampende fantasiewereld in Teylers

Nog steeds maken de vroege 19de-eeuwse arcadische landschapsschilderijen een groot verlangen los bij wie er naar kijkt. Zondoorschenen ochtendnevels, een kudde schapen op een zandweg, een slingerend beekje: clichés misschien, maar ze werken nog steeds. Het moet wel een oerverlangen naar het verloren paradijs zijn. In het Teylers Museum is een prachtige tentoonstelling gewijd aan landschapstekeningen en landschapsschilderijen, naar aanleiding van een nieuw deel in de serie bestandscatalogi van Teylers. Ruim tachtig werken van Nederlandse kunstenaars illustreren de ontwikkeling, van 1775 tot 1850, van het classicistische naar het romantische landschap.

Bijzonder is dat de meeste van deze kunstwerken destijds door Teylers (in 1778 opgericht) direct bij de kunstenaars zijn aangekocht. Ze zijn dus zeer goed bewaard gebleven. Het directe contact met de kunstenaars betekent ook dat Teylers in het bezit is van werken die anders wellicht verloren zouden zijn gegaan. Zoals tekeningen in zwartwit, die rond 1800 geen grote waarde vertegenwoordigden. Verzamelaars hadden een voorkeur voor uitgewerkte, gekleurde bladen. Tegenwoordig zijn de zwartwit schetsen zeer geliefd, vanwege hun directheid en omdat ze inzicht geven in de werkwijze van de kunstenaar.

De classicistische schilder en theoreticus Gerard de Lairesse wist precies aan welke eisen een landschapsschilderij diende te voldoen. In zijn Groot Schilderboeck (1707) schrijft hij dat het schilderij een verbeterde natuur moest laten zien, het moest een beeld geven van gelukzaligheid. De natuur zelf is gebrekkig, betoogt De Lairesse, en een schilderij met enkel bomen ,,is een wildernis of onbewoond land, daar de pestilentie regeert, en by gevolg daar geen huizen getimmerd worden.'' Hij beschrijft de ochtendstond, met zijn ,,uitmuntende aangenaamheid (...), een zekere frisheid vermengd met zompige dampen''.

Hendrik Meijer schilderde zo'n opgeruimde fantasiewereld in 1777 met zijn serie van de vier jaargetijden, in waterverf en dekverf op papier. De Voorjaarsochtend toont schapen, koeien en herderskinderen aan een rivier tussen de ochtenddampen van De Lairesse. Boerenhutjes, een classicistisch nepkasteel, majestueuze rotsen en geometrische zonnestralen zijn vrijelijk met elkaar gecombineerd.

Egbert van Drielst, die zoals velen was opgeleid in een behangsel-atelier, begon rond 1770 als een van de eerste kunstenaars buiten te tekenen. Hij deed dit het liefst in Drenthe, middenin de onaangetaste, `gebrekkige' (volgens De Lairesse) natuur. Van Drielst werkte zijn schetsen uit in het atelier, of onderweg in een herberg. Tegelijk verdiepte hij zich in de landschapsschilders van de 17de eeuw, met name Hobbema. Hij bestudeerde zijn voorbeeld zelfs zo goed dat hij de `Drentse Hobbema' werd genoemd, en handelaren zijn signatuur vervingen door die van de gevierde meester.

Circa 1830 braken de Romantici uiteindelijk met de regels van het classicisme. Zij vonden het ideale landschap in de eigen omgeving, rond Haarlem en in Gelderland, en werden zo de wegbereiders voor de plein air-schilders van de Haagse School. Hun landschappen zijn kalm en sereen. De Hollandse landschapskunst kent zelden de dramatiek en de intens religieuze verhevenheid van een William Turner of Caspar David Friedrich.

Een zeldzaam werk op de tentoonstelling in Teylers is de schitterende, recent door Teylers verworven Boomstudie in zwart krijt van Hendrik Voogd. Voogd tekende op een groot blad een boom die van stronk tot kruin bedekt is met gebladerte. Ieder blad is individueel weergegeven en toch heeft het geheel een duidelijke, open structuur in licht en donker en in vele grijstonen.

In het algemeen geldt voor deze bladen dat wanneer een tekening ogenschijnlijk een tikje saai is, hij juist goed is. De maker, zoals Voogd, concentreerde zich in dat geval op één motief en beperkte zich tot eenvoudige middelen. Het resultaat is dat er juist veel te zien is, je kan scherper kijken.

Hoogtepunt op de expositie is een kleine tekening van Barend Cornelis Koekkoek, Nabij Altenahr. Met zwart krijt en waterverf in grijs en bruin tekende Koekkoek een groots zonovergoten landschap, met een rivier en een dorpje met vakwerkhuizen tegen de berghelling en een wandelaar met stok op de sepiakleurige voorgrond. Hier is de warmte, de zwaarte van het licht, fysiek voelbaar gemaakt. Als een sluier hangt het diffuse licht over de wereld.

Landschap van verlangen. Tentoonstelling in het Teylers Museum, Spaarne 16, Haarlem. T/m 16 jan. Di-za 10-17u, zo 12-17u. Tel. 023 5319010.