Zo kom je nergens

Los van al het gedoe met minister Verdonk lijkt het me een heel eigenaardige ervaring als een man je niet de hand wil schudden. Het is mij nog niet overkomen, sommige vrouwen die ik ken wel. We praten er wel eens over. Ik probeer het me wel voor te stellen. Daar sta je, met je uitgestoken hand, en zo'n man zegt: nee, mijn geloof staat mij niet toe u een hand te geven. Misschien denkt hij er verder niets bij, gewoon, zo is het nu eenmaal. Maar zelf ga je toch direct denken: dat is omdat ik een vrouw ben, en vrouwen zijn in zijn ogen onrein als ze ongesteld zijn en daarom geeft hij uit voorzorg maar geen enkele vrouw een hand. Hij vindt mij, in potentie, vies. Zelf is hij nooit onrein. Echt weer zo'n fijn mannenverzinsel, vrouwen kunnen wel hun kostbare kinderen baren, maar alles wat erbij hoort maakt ze onrein. Juíst het feit dat ze baren maakt ze onrein en minderwaardig. En zo zou je je staan opwinden terwijl die man niets denkt behalve: doe ik niet.

En was je in de orthodoxe buurt in Jeruzalem, of op bezoek in Saoedi-Arabië, dan zou je denken: zo is dat hier nu eenmaal. Ik ben het er niet mee eens, maar enfin, thuis doen we weer gewoon. Maar in eigen land!

Wat zou je er tegenover te stellen hebben? Die man mag jou geen hand geven van zijn god, althans dat denkt hij. Maar zelf heb je geen god die handen geven verplicht stelt, het is geen geloofsartikel, het is alleen maar een sociale gewoonte. Is dat nu zo erg, om die een keertje niet uit te voeren? Geef je altijd iedereen een hand? Welnee, een algemeen `Hallo' of `Goejemiddag allemaal' komt veel voor, in grote gezelschappen zoen en schud je bij voorkeur ook niet iedereen, want men kan wel bezig blijven en niets in je komt daartegen dan in opstand. Dat ene gebaar, dat voor jou zo weinig betekent, moet dat nu zoveel kwaadheid in je oproepen?

En zo doe je gemakkelijk een stapje achteruit, en de volgende keer nog een. Want altijd heeft de gelovige iets in handen dat jij niet hebt: een fundament waarop alle gedragingen en overtuigingen gebaseerd zijn.

Onlangs herlas ik de meesterlijke roman Sneeuw van Orhan Pamuk, waarin in een ingesneeuwd Turks stadje de strijd tussen fundamentalisten, vrijdenkers en niet-weters op de spits gedreven wordt. Er komt een hoofdstuk in voor dat geheel bestaat uit het gesprek tussen een fundamentalist met een pistool en zijn aanstaande slachtoffer, de directeur van de lerarenopleiding die gesluierde meisjes de toegang weigert, zoals dat in Turkije verplicht is. De directeur is ook moslim, maar hij maakt onderscheid tussen wat de seculiere overheid van hem vraagt en wat er in de koran staat. Dus het feit dat de soera an-noer, `het licht', stelt dat vrouwen hun hoofd moeten bedekken is voor hem geen reden om hoofddoekjes op school toe te staan. Dat is voor de man tegenover hem ongerijmd. ,,Is secularisme hetzelfde als goddeloosheid?'' vraagt hij. ,,Nee,'' zegt de directeur. ,,Waarom mogen godsdienstige meisjes die zich aan de religieuze voorschriften houden dan geen lessen volgen, zogenaamd vanwege secularisme?''

Dat is een goede vraag en de directeur heeft er dan ook geen antwoord op. Die zegt alleen maar: ,,Beste jongen met dit soort discussies kom je toch nergens.''

Als er vrijheid van godsdienst is, dan kun je hoofddoekjes moeilijk verbieden. Maar betekent vrijheid van godsdienst dan dat je niets kunt verbieden wat iemand uit gelovige overwegingen doet? Nee, dat betekent het duidelijk niet. Overigens is het ook wel irritant dat de discussie altijd maar gaat over die hoofddoekjes, zijn het weer de meisjes en de vrouwen die voortdurend de klappen krijgen en het mikpunt zijn rare baarden die onderaan een blote kin hangen, zoals de mode is onder een bepaald soort ijverige moslims, willen we toch ook niet verbieden? Terecht trouwens, het wordt te dol als we iedereen gaan voorschrijven wat ze wel of niet op hun hoofd mogen zetten of aan hun kin laten groeien of in hun hoofd mogen denken.

De vraag is meer: wat denk je zelf? Wat voor diepste overtuigingen heb je? Zolang niemand je aanvalt en jijzelf ook niemand aanvalt om zijn overtuigingen kun je heel tevreden zijn met een soort vage humanistische basis en denken: zo doen wij dat nu eenmaal, wij geloven in vrijheid, gelijkheid, broederschap, hoezee, natuurlijk mag iedereen denken wat hij wil en is homoseksualiteit geen enkel probleem en hebben vrouwen dezelfde rechten als mannen enzovoort. Maar waarop baseren we dat?

In het laatste nummer van het tijdschrift Nexus (jrg. 2004, nr. 39), dat geheel aan het thema `Verlies' gewijd is, schrijft de Engelse filosoof Roger Scruton over wat we allemaal verloren hebben met het verlies van onze religie. Onder meer zijn we daarmee het begrip `heilig' kwijt zegt hij, en als iets niet heilig is, kun je het ook niet ontheiligen en zo (ik vat het nu lichtelijk bot samen) verliest alles zijn glans en betekenis.

Een andere filosoof, Simon Blackburn, spreekt hem tegen. Hij zegt dat het begrip heilig nog steeds bestaat ook al noemen we het misschien niet zo, maar dat uit, bijvoorbeeld, het feit dat we er niet eens over hoeven te discussiëren of we zullen toestaan dat een advertentiesatelliet van Coca Cola of McDonald's langs de nachthemel zou schieten, blijkt dat we de donkere nachthemel heilig vinden.

Hmm. Hier lijkt de wens de vader van de gedachte, want de nachthemel is ons helemaal niet heilig, maar die wordt door ons licht geheel vervuild zodat sterrenkijkers in West-Europa vrijwel zinloos zijn geworden. Kassen mogen vanaf twaalf uur 's nachts hun lichten uitzenden, hele snelwegen baden nachtenlang uitgestorven in het licht. God verhoede dat er ook nog advertentiesatellieten bijkomen, maar dat het hier om iets heiligs zou gaan nee.

Dat we het begrip heilig hebben afgeschaft is vanzelf niet alleen maar verlies. Het is niet slecht dat wij het niet als een heilig gebod zien om echtscheiding te verbieden, ongehuwde moeders in tehuizen op te bergen, of abortus gelijk te stellen met moord. Maar het verlies van geloof is óók een verlies, zoals Scruton betoogt. Omdat we daarmee ook het gevoel dat het huwelijk `heilig' zou kunnen zijn verloren hebben, geen plaats meer weten te geven aan lijden, geen houding weten te vinden tegenover de dood. We kunnen wel iets van die oude zingeving redden maar dan moeten we er een nieuwe vorm voor vinden en die nieuwe vorm is altijd veel ingewikkelder, wankeler en individueler dan de oude. Dat is een zegen. Maar ook niet. Waar is ons morele fundament?