Rijke woningcorporaties

Het vermogen van de woningbouwcorporaties groeit gestaag, terwijl ze de afgelopen jaren steeds minder aan een belangrijke taak zijn toegekomen, het bouwen van woningen voor mensen met een laag inkomen. Woningbouwcorporaties zijn geen particuliere ondernemingen, maar beheren een publiek vermogen van huizen en geld. De wachtlijsten voor goedkope huurwoningen worden langer, maar de woningbouwcorporaties zitten volgens de jaarlijkse rapportage van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, het toezichthoudend orgaan van het ministerie van VROM, op een vermogen van 36,9 miljard euro. Andere instanties, waaronder de corporaties zelf, komen met veel lagere schattingen. Dat de corporaties vermogend zijn, staat voor alle partijen vast. Door allerlei omstandigheden komt het niet van nieuwbouw.

Deze onwenselijke patstelling is de prijs van de verzelfstandiging. In het verleden heeft de overheid de schulden van de woningbouwcorporaties weggestreept tegen haar eigen subsidieverplichtingen. Voortaan zouden de corporaties zelfstandig met hun dankzij de overheid opgebouwde vermogen zonder subsidies verder moeten. De goedkope huurwoningen zouden moeten worden gefinancierd uit de verkoop van huurwoningen en andere winstgevende activiteiten. Maar door het schrappen van de subsidie verloor de overheid een simpel machtsmiddel om woningbouwcorporaties tot bouwen te dwingen. Woningbouwcorporaties verkeren in onzekerheid en staan onder grote druk van overheden en instanties met telkens veranderende regels. Ze hebben veel verplichtingen – maar nieuwbouw hoort daar niet bij. Eenvoudiger is de volkshuisvesting er voor de overheid niet op geworden; wel goedkoper.

Het ministerie probeert nu greep te krijgen op de woningbouwcorporaties en wil een speciale heffing opleggen om de vermogens af te romen. Tegelijkertijd wil het rijk, wijs geworden, tot het jaar 2010 weer subsidie geven: 650 miljoen euro voor nieuwbouw en 1,4 miljard voor stadsvernieuwing, waardoor meer woningen ontstaan.

Nieuwbouw is een onontbeerlijk element voor de gewenste spreiding van diverse soorten bewoners. Nu zijn er te weinig woningen om dat te bereiken. Het is goed voor de bevolkingssamenstelling en de desegregatie van rijk en arm in de grote steden dat woningbouwcorporaties daar woningen uit de verhuur halen en verkopen aan particulieren. Het aandeel sociale huurwoningen is te hoog in de grote steden. Ook is een deel van de huren aan liberalisatie toe. Maar verkoop van huurhuizen en liberalisatie van huren hebben alleen zin als het aanbod van woningen groter wordt. Mensen die niet meer in de stad terecht kunnen, moeten elders aan bod kunnen komen. Woningbouwcorporaties zouden hun winsten uit verkoop van woningen dus in nieuwbouw moeten investeren.

Door nieuwbouw kunnen woningbouwcorporaties ook beter in staat worden gesteld om sociale huurwoningen alleen ten goede te kunnen laten komen aan mensen met lage inkomens. Wie gebruikmaakt van sociale voorzieningen kan zich ook wel onderwerpen aan een inkomenstoets. Volgens eigen schattingen van de corporaties heeft 40 procent van hun bewoners een te hoog inkomen voor een goedkope woning. Zij zouden meer mogelijkheden moeten hebben om te verhuizen. Tot die tijd zouden ze een hogere huur moeten betalen. Bij voldoende woningaanbod is er minder subsidie en huurbescherming nodig en kan iedereen een vrijere afweging maken waar en hoe hij wil wonen.