Preek doordrongen van licht

In de preek van ds. C.A. ter Linden voorafgaande aan de bijzetting van prins Bernhard, stond `het licht van Kerst' centraal.

Prins Bernhard werd luthers gedoopt en trouwde Nederlands-hervormd. Maar evenmin als zijn schoonzoon prins Claus was hij een regelmatig kerkganger. Hoewel ds. Ter Linden Bernhard typeerde als ,,een religieus voelend mens'' , kon hij afgelopen zaterdag in zijn preek dan ook niet zo rechtstreeks aanhaken bij publieke geloofsuitspraken van prins Bernhard als ds. Hudig dat kon bij de begrafenis van prinses Juliana, die wel een trouw kerkganger was.

Toch wist ds. Ter Linden al direct aan het begin van zijn meditatie God op een subtiele en vederlichte wijze ter sprake te brengen, geheel in de traditie van de preken die hij hield bij de diverse koninklijke trouw- en doopdiensten van de afgelopen jaren.

In het overzicht dat hij schetste van het leven van prins Bernhard gebruikte hij daarvoor het, vooral in katholieke kring bekende, beeld van de beschermengel die prins Bernhard steeds moet hebben bijgestaan. ,,Jij hebt een engeltje op je hoofd'', zei Bernhards moeder tegen hem. Als tweejarig kind ontsnapte hij al ternauwernood aan de dood. Dankzij de zorg van zijn moeder kwam hij door de crisis heen. ,,God is niets zonder zijn grondpersoneel'', aldus Ter Linden. ,,God heeft immers geen andere handen dan de onze.'' Dat engeltje heeft het wel zwaar gehad in het leven van Bernhard. Regelmatig moest hij op de rem trappen. ,,Nu wacht het in de nok van deze kerk om hem samen met ons vaarwel te zeggen.''

In tijden van verdriet en tegenslag grijpt de kerk van oudsher naar het bijbelboek van de Psalmen. In de psalmen reflecteren mensen op de verhalen over het handelen van God, die zijn volk uit de slavernij van Egypte naar het beloofde land bracht, en op zijn woorden: zijn beloften en zijn geboden. Ze hebben het daar niet altijd makkelijk mee. Mensen zuchten en steunen. Soms schreeuwen ze het uit: ,,Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten? U blijft ver weg en redt mij niet.'' (psalm 22) Maar mensen zingen ook hun godsvertrouwen uit: ,,De Heer is mijn herder, het ontbreekt me aan niets.[...] Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen gevaar, want u bent bij mij.'' (psalm 23)

Dankzij hun grote variëteit bieden de 150 psalmen even zo vele aanknopingspunten om het eigen leven aansluiting te laten vinden bij God, ,,het ons omringende geheim'', zoals Carel ter Linden dat in zijn laatste boek noemt. Bijna elke denkbare emotie heeft er een plaats.

Voor de rouwdienst afgelopen zaterdag had ds. Ter Linden een van de meest intieme gekozen. Hij las psalm 139, waarin de dichter overweldigd wordt door de onontkoombaarheid van God. ,,Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen, hoe aan uw blikken ontkomen? Klom ik op naar de hemel u trof ik daar aan, lag ik neer in het dodenrijk u bent daar. [...] U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de buik van mijn moeder. Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan.'' Ter Linden las de tekst uit de Nieuwe Bijbelvertaling.

Het gedeelte van de psalm waarin God wordt opgeroepen zijn tegenstanders om te brengen, werd overgeslagen. In het kader van de rouwdienst niet onlogisch, maar lezing van dat gedeelte was ook niet echt misplaatst geweest. Tijdens de Tweede Wereldoorlog namen kerkmensen die woorden graag in de mond. ,,God, breng de zondaars om weg uit mijn ogen jullie die bloed vergieten.''

Psalm 139 is een van de laatste bijbelwoorden die prins Bernhard onder ogen heeft gehad. Ter Linden: ,,Toen ik bij mijn laatste bezoek de prins deze psalm voorlas, luisterde hij vol aandacht, soms geroerd. Hij wenkte dat hij de tekst van dichtbij wilde zien; ik gaf hem mijn bijbeltje, en hij begon te lezen, regel na regel zachtjes de woorden mompelend. `Mooi, dat zinnetje dat in God geen duisternis is. Daarom zie ik ook niet tegen de dood op.'''

Zaterdag werden deze woorden als troost aan het adres van de familie voorgehouden. Daarmee plaatste Ter Linden zich duidelijk in de calvinistische traditie. In protestantse rouwdiensten ligt het accent op de troost voor de overlevenden. Voor hen wordt voorbede gedaan en zo worden ze geholpen de overledene uit handen te geven. Het katholieke element, het gebed voor de overledene, ontbrak niet geheel. Dat zat vooral in het muzikale deel van de dienst: het gezongen requiem van Fauré is een gebed om eeuwige rust voor de mensen die gestorven zijn.

Het centrale element in de troost die de kerk bij begrafenissen biedt, is dat de dood niet het laatste woord heeft. Ter Linden gebruikte daarvoor woorden uit het eerste hoofdstuk van het evangelie naar Johannes die ook bij de begrafenis van prins Claus werden gelezen. ,,Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.'' Het eerste boek van de bijbel, Genesis, begint met de schepping van het licht. Ondanks de macht van het kwaad, is dat licht nooit gedoofd, schrijft het evangelie van Johannes. Zo paste de rouwdienst naadloos in het kerkelijk jaar: gisteren was het de derde zondag van Advent, de tijd van voorbereiding op het kerstfeest, het feest van het licht. ,,Zijn allernaasten zijn daarom niet donker gekleed. Want zijn sterfdag was voor hem een nieuwe geboortedag.''

Geraadpleegd: P.Oskamp en

N.A.Schuman, De weg van de liturgie; M.A.Vrijlandt, Liturgiek; Carel ter Linden, Wandelen over het water.