Maatschappelijke macht krijg je niet in deeltijd

De emancipatie van vrouwen verloopt trager dan aan het eind van de jaren negentig, concludeert het SCP. De emancipatie is geenszins voltooid.

Onderwijs, werk, huishouden en macht zijn de belangrijkste terreinen waarop de verschillen tussen mannen en vrouwen volgens het kabinet kleiner moeten worden. In veel gevallen zijn daarvoor drie jaar geleden kwantitatieve doelen geformuleerd voor het jaar 2010, met tussendoelen voor eerdere jaren. Maar de meeste van deze tussendoelen worden niet gehaald.

Toch is het niet allemaal kommer en kwel. In het onderwijs lijken meisjes op het eerste gezicht hun aanvankelijke achterstand volledig te hebben ingelopen, en zelfs op tal van punten te hebben omgezet in een voorsprong. Zo zitten er inmiddels meer meisjes op havo en vwo dan jongens. Ook gaan er meer meisjes naar het hbo dan jongens en studeren ze daarbinnen sneller af. Aan de universiteiten is bijna sprake van evenwicht: 48,7 procent van de studenten is vrouw, tien jaar geleden was dat nog 44. In alle studierichtingen studeren vrouwen sneller af dan mannen.

Internationaal gezien blijkt dit echter helemaal niets bijzonders. Wat heet, in nagenoeg alle West-Europese landen studeren meer vrouwen dan mannen. Alleen in Duitsland en Oostenrijk ligt het percentage lager dan in Nederland. Zweden scoort met 58 procent vrouwelijke studenten het hoogst.

Niveau is bovendien niet het hele verhaal. Qua studierichting bestaan er nog altijd zeer grote verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke studenten. Deze verschillen doen zich reeds voor in de profielkeuze op de middelbare school. Het is weliswaar niet zo dat de keuze van meisjes minder kans op werk biedt, maar wel dat ze hen meer opsluit in een bepaalde sector, zoals het onderwijs of de zorg. De studiekeuze van jongens biedt hun een breder palet aan beroepsmogelijkheden en daarmee betere carrièreperspectieven. De verschillen in studiekeuze tussen jongens en meisjes zijn de laatste jaren niet kleiner geworden. Een van de doelen van het emancipatiebeleid – meer vrouwen in technische opleidingen en meer mannen in zorgopleidingen – vergt dus nog flinke inspanningen.

Qua arbeidsdeelname van vrouwen is Nederland in de afgelopen decennia dramatisch veranderd. Tot een jaar of twintig geleden bungelde Nederland met Ierland en Portugal aan de staart van het Europese peloton, inmiddels hoeft het alleen de Scandinavische landen nog maar voor zich te dulden. In 2003 had 55 procent van de vrouwen tussen de 15 en 65 jaar werk.

Een succes? In 1987 werkte nog maar 35 procent. Toch is de huidige arbeidsdeelname één procentpunt lager dan de streefwaarde van het kabinet. De arbeidsparticipatie groeit de laatste jaren met één procentpunt per jaar. Dat is niet genoeg om het beleidsdoel voor 2010 – 65 procent van de vrouwen aan het werk – te halen.

Weliswaar zijn vrouwen en masse gaan werken, ze doen dat wel voornamelijk in deeltijd. Nergens ter wereld werken zoveel vrouwen in deeltijd als hier: 70 procent, terwijl dit voor de EU gemiddeld 16 procent is. Overigens voert Nederland ook de Europese ranglijst aan van deeltijdwerk voor mannen: 86 procent heeft minder dan een volledige baan, in 1990 was dat 90 procent, dus deeltijdwerk onder mannen neemt toe, maar minder snel dan onder vrouwen.

Veel van de deeltijdbanen van vrouwen zijn zo klein dat ze daardoor minder dan 70 procent van het minimumloon verdienen, met andere woorden: niet economisch zelfstandig zijn. Economische zelfstandigheid van vrouwen is een van de belangrijkste emancipatiedoelen van het kabinet. In 2010 moet 60 procent zover zijn. Op dit moment is dat 41 procent, drie procentpunt minder dan de bedoeling was.

Ondanks de geconstateerde vertraging van het emancipatieproces gaan de veranderingen nog altijd wel erg snel. In 1997 stopte een kwart van alle vrouwen met werken bij de geboorte van het eerste kind. Vorig jaar was dit nog maar 10 procent. Wel gaan de meeste moeders korter werken. Jonge vaders doen dit nauwelijks. Relatief veel vrouwen geven aan best meer te willen werken, mits ze hun werktijden kunnen inpassen in hun verplichtingen jegens de kinderen en ze vrij kunnen nemen bij onverwachte gebeurtenissen als ziekte van een kind of lesuitval.

Bekeken vanuit de kinderen ziet de wereld er heel anders uit dan tien jaar geleden. Toen werkte in 33 procent van alle gezinnen met minderjarige kinderen beide ouders, nu is dat 57 procent. Dat het aantal kinderen in een of andere vorm van kinderopvang in zes jaar tijd is verdubbeld, mag dan ook niet meer verbazen. De buitenschoolse opvang is sinds 1990 zelfs vertwintigvoudigd. Desalniettemin maakt nog maar acht procent van de basisschoolkinderen er gebruik van. Overigens vindt bijna de helft van alle mannen en vrouwen buitenschoolse opvang onwenselijk.

De meeste emancipatiedoelstellingen van het kabinet gaan over vrouwen. Op één punt zijn expliciete doelen voor mannen geformuleerd: zij moeten in 2010 minimaal 40 procent van alle onbetaalde zorgtaken op zich nemen. Tot 1995 nam het aandeel van mannen hierin toe, maar sindsdien is sprake van stagnatie. Mannen staan al jaren op 35 procent.

Volgens het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie zou het aandeel vrouwen in de top van het bedrijfsleven tussen 2000 en 2004 moeten verdubbelen en vervolgens tot 2010 met 2 procentpunt per jaar toenemen. Daar komt weinig van terecht. Het aandeel vrouwen in de top van de 25 en van de 100 grootste bedrijven is de laatste jaren zelfs iets afgenomen naar minder dan 5 procent, terwijl het streefgetal van het kabinet 8 procent is.

Ook in de managementlagen daaronder blijft het aandeel van vrouwen achter. Met 26 procent vrouwen in hogere managementfuncties scoort Nederland op vier na het laagst van de vijftien oude EU-landen. Onder hoogleraren scoort Nederland met 6 procent vrouwen op Ierland na het laagste van Europa.

Zo'n 40 procent van de bevolking vindt dat het aandeel vrouwen in topfuncties de komende vijf jaar moet verdubbelen. Maar van de werkgevers denkt maar iets meer dan 20 procent er zo over. Werkgevers blijken qua emancipatie sowieso aanzienlijk conservatiever dan de rest van de bevolking.

De onderzoekers constateren teleurgesteld dat na zoveel jaren emancipatiebeleid nog altijd betrekkelijk weinig bekend is over de effectiviteit van allerlei concrete beleidsmaatregelen. Die is doorgaans gewoon niet onderzocht.