Maak van geschiedenisles een feest

Het zou kunnen dat gebrek aan historisch besef in Nederland te maken heeft met het feit dat ons land lange tijd in de luxueuze positie verkeerde dat het zijn geschiedenis kon vergeten, betoogt Rogier Ormeling.

Twee ambtenaren van de Inspectie der Rijksfinanciën (IRF) hebben aan minister Zalm voorgesteld om het vak geschiedenis verplicht te laten blijven in de bovenbouw van havo en vwo. Minister Zalm heeft dit advies in de ministerraad voorgelegd aan zijn collega, minister Van der Hoeven van Onderwijs. Een uitstekend initiatief, maar waarom niet ook in het vmbo?

Toen onlangs Pim Fortuyn tot de Grootste Nederlander werd verkozen stelde zijn verblufte ambassadeur, de journalist Yoeri Albrecht, hiervoor de armzalige staat van het Nederlandse onderwijs en het daaruit voortvloeiende gebrekkige historische bewustzijn verantwoordelijk. Best mogelijk. Al gold dat gebrek aan historisch bewustzijn toen Pim nog leefde niet voor zijn eveneens talrijke politieke tegenstanders. Die stonden immers huiverig tegenover Fortuyn juist vanwege datgene wat ze tijdens de geschiedenisles hadden geleerd. Bovendien is een historisch bewustzijn niet altijd een zegen. Men kan zich immers ook door het verleden laten gijzelen. Zoals de Serviërs die onder leiding van Miloševic eindeloos de nederlaag tijdens de Slag op het Lijsterveld in 1389 herkauwden teneinde hierop hun politieke en territoriale aanspraken te baseren.

Zou dit gebrek aan historisch besef in Nederland niet vooral hiermee te maken hebben dat ons land lange tijd in de luxueuze positie verkeerde dat het zijn geschiedenis kon vergeten? Immers, wanneer je een gemeenschappelijke herinnering met iedereen om je heen deelt is deze zo vanzelfsprekend dat je het er niet meer over hoeft te hebben. Eigenlijk was Nederland zo tevreden met zijn poldermodel dat het niet noodzakelijk was om de eigen nationale roman te lezen. Zoiets doe je pas wanneer de natie op haar grondvesten trilt. Nu de tijden veranderd zijn, nu Nederland is opgegaan in de Europese Monetaire Unie en bovendien sprake lijkt van binnenlandse polarisatie is de noodzaak pas weer aanwezig om over onze gemeenschappelijke herinnering te praten.

Een belangrijke vraag blijft natuurlijk wat tijdens de geschiedenislessen zal worden onderwezen. Zal ook aandacht worden besteed aan het feit dat de Hollanders vierhonderd jaar geleden Marokkaanse havens aandeden en steun zochten in de strijd tegen de Spanjaarden en dat de Staten-Generaal daarom officiële betrekkingen met de sjerief van Marokko aanknoopte? Er zijn bijzondere anekdotes voorhanden, bijvoorbeeld over de onderhandelingen in Marokko tussen de nog jonge Michiel de Ruyter en de marabout van Sale over de verkoop van lakense stoffen. De marabout bleek zo onder de indruk van de Ruyter's onderhandelingstactiek dat hij hem prees met de woorden: ,,U bent een echte islamiet!''

Om een flinke sprong in de geschiedenis te maken, van de Spaanse bezetting naar de Duitse tijdens de Tweede Wereldoorlog: ook zou verteld kunnen worden dat de Amerikaanse president Roosevelt op Oudejaarsavond 1941 in de filmzaal van het Witte Huis keek naar de film Casablanca met Humphrey Bogart in de hoofdrol. En dat hij tien dagen later naar Casablanca vloog voor een topontmoeting over de strijd tegen Hitler met de Britse premier Churchill en de Franse generaal De Gaulle, leider van de Vrije Fransen. Markant detail is dat deze trip naar Marokko de eerste vliegreis was die een Amerikaanse president ooit maakte. Dergelijke feiten zouden een interessante opmaat kunnen zijn voor het verhaal van de bevrijding, waarvoor 70.000 Marokkanen hun leven gaven, vanaf de invasie van de geallieerden op Sicilië tot en met de Duitse capitulatie op 5 mei 1945.

Rogier Ormeling is publicist.