Hirsi Ali, meer mensenkennis alstublieft

Je kunt moslims niet via een schoktherapie naar de Verlichting leiden, hoe lofwaardig dat streven ook is, meent Dirk Vlasblom.

Een provocerende cineast sterft met een mes in zijn borst; een Kamerlid dat al evenzeer van choqueren houdt, moet onderduiken; gebedshuizen gaan in vlammen op en een querulant in de Tweede Kamer wint virtuele verkiezingen. Aduh, is dit mijn land van herkomst?

In Indonesië, het land waar ik woon en werk, beginnen serieuze kranten te schrijven over religieuze onverdraagzaamheid in `Belanda'. Dat moet met een korrel zout worden genomen, want men is hier te lang belerend toegesproken door Nederlanders om niet gretig te reageren op zulke berichten. Maar het is een teken aan de wand.

Is dit nu on-Nederlands? Ik studeerde in de jaren '70 in Utrecht. In de studentenflat had ik een Surinamer als buurman. Leuke, eigenwijze jongen; ik kon goed met hem opschieten. Hij maakte mij uit voor `bleekscheet', ik hem voor `roetmop'. Wij vonden ravotten met stereotypen leuk. Het schiep een band, want we deelden iets – gevoel voor humor – en we stonden boven de idiotie van het vooroordeel. Ik vond dat `vintage Holland' en daar hield ik van.

Stoeien doe je met zijn tweeën, zo niet, dan wordt het pesten. Ik probeer me voor te stellen dat Theo van Gogh op straat een bevriende Marokkaan tegenkomt en hem lachend toevoegt: ,,Ha die geitenneuker!'', wat de Marokkaan pareert met ,,Salam, varkenskop!'' Ze slaan elkaar op de schouder en gaan ieder grinnikend huns weegs. Het is jammer genoeg een denkbeeldige scène. Van Gogh is dood, afgeslacht door een fanaticus, en ik betwijfel of die twee ooit met elkaar hebben gesproken.

Het slachtoffer debiteerde zijn platte grappen niet in joviale tweegesprekken, maar voor microfoons en volle zalen. De dader riep hem niet ter verantwoording, maar reageerde met een ultieme geweldsdaad. Zijn motieven kon hij kennelijk alleen aan een mes rijgen. Verwijdering in extremis. Vriendschappelijk stoeien met stereotypen is communicatie, publiekelijk lanceren van vinnige beledigingen is provocatie. En een religieus geïnspireerde moord snijdt alle banden door.

Mevrouw Ayaan Hirsi Ali heeft een betere smaak dan Van Gogh, maar ook zij begrijpt weinig van communicatie. Als zij denkt dat zij moslims `naar de Verlichting leidt' door hen te choqueren, verloochent zij haar eigen niet geringe intelligentie. Haar geloof in de schoktherapie geeft geen blijk van mensenkennis. Denkt zij echt dat zij moslims kan overtuigen door hun godsdienst weg te zetten als `levensgevaarlijk'?

Op Hirsi Ali's islamkritiek valt heel wat af te dingen, maar haar kritiek op de Nederlandse samenleving snijdt op onderdelen hout. Zij richt haar scherpste pijlen op de in Nederland heersende cultuur van de `politieke correctheid'. Die dateert niet van vandaag of gisteren.

De grove grappen van mijn Surinaamse vriend en mij werden onder medestudenten niet gewaardeerd. Zij waren in de greep van de nieuwe moraal: culturele en religieuze minderheden moesten worden ontzien. Nederland koesterde zich in het oranjezonnetje van een zelfgenoegzaam zelfbeeld: het was open en tolerant, een veilige haven voor elders bedreigde leden van de menselijke soort. Dat `gastarbeiders' en asielzoekers anders waren, diende gerespecteerd. Studenten, welzijnswerkers en politici zongen dit lied in koor. De ouderen van de Utrechtse Kanaalstraat, die Marokkanen en Turken ervoeren als ondoorgrondelijke indringers, werd te verstaan gegeven dat ze hen moesten accepteren zoals ze waren.

De denkwereld en diepere emoties van de nieuwkomers bleven intussen verborgen. Politieke correctheid vereiste dat de `anderen' werden geduld, niet dat er met hen werd gecommuniceerd. De gescheiden werelden van multicultureel Nederland leefden langs elkaar heen. Oude stadsdelen werden geleidelijk bevolkt door mensen van elders. Op een handjevol vergrijzende autochtonen na vonden we dat goed. In die getto's konden ze hun `culturele identiteit' beleven. Maar een getto is een getto. Anderen komen daar niet graag en zijn er ook niet welkom. Zo verstreken decennia waarin we van elkaar niet wisten wat we dachten en wat we wilden. Wat we belangrijk vonden en wat niet.

Toen ik in Indonesië ging wonen, heb ik me aangepast. De meerderheid hier is islamiet, maar ook Javaan, Molukker of Batak, en als ik hier wil leven en werken, moet ik rekening houden met plaatselijke normen en gevoeligheden. Het aardige van leven in een vreemde omgeving is dat je geleidelijk ontdekt wat essentieel is aan je culturele bagage en wat louter buitenkant. Een overjas van conventies trek je gemakkelijk uit, maar wat nader tot het lijf is, daaraan houd je vast. Ik haal het niet in mijn hoofd om vrome moslimvrouwen te dwingen mijn hand te schudden. Zwicht ik zo voor vrouwenonderdrukking? Welnee, ik zie af van een Hollandse conventie en de dames in kwestie waarderen dat.

Ik heb een moslimvrouw getrouwd en moest daarvoor bepaalde conventies eerbiedigen. Zo heb ik haar vader om haar hand gevraagd. Boog ik zo voor patriarchale, vrouwonvriendelijke verhoudingen? Welnee, het was louter een kwestie van beleefdheid, en dat plezierde zowel de ouders als mijn aanstaande vrouw. Maar er zijn grenzen en wie die trekt, ondervindt respect. Die grenzen zijn de contouren van iemands culturele identiteit, in Indonesische termen: de kern van je adat. Zo wees ik een rituele islamitische geloofsbelijdenis af als onoprecht – en dat werd geaccepteerd. Zulke onderhandelingen zijn een vorm van interculturele communicatie, waarin beide partijen opereren aan de rand van hun waardensystemen. Dat is de laatste decennia veel te weinig gebeurd in Nederland. En nu ontploft een tijdbom van onbehagen en onbegrip.

De meeste in Nederland woonachtige Marokkanen komen uit het Rifgebergte en een groot deel van `onze' Turken is afkomstig uit Anatolië, een arme streek in Centraal-Turkije. Dat zijn geen gebieden met ruim zicht op de wereld, laat staan met `wereldse' gewoonten of intellectuele reflectie op religie. Het is een wereld van sappelaars, van schrale gronden, waar alleen de traditie houvast biedt. Migranten uit dat deel van de wereld trekken niet weg wegens hun opvattingen over politiek en religie, maar wegens gebrek aan vooruitzicht.

En na alle bommen en schoten, van Bali tot Amsterdam, discussieert Nederland nu over `de islam'. Want `onze' Turken en Marokkanen zijn immers moslims. Jawel, maar, met respect, de ouderen onder hen zijn als de Limburgse rooms-katholieken van een eeuw geleden, wier christendom was doordrenkt met volksgeloof en geestenangst. Hun kinderen hebben het internet ontdekt, dat grenzeloze allegaartje van feiten, halve waarheden en straffeloze opruiing. De meesten kunnen daar goed mee overweg en schiften zin en onzin, maar een enkeling, van huis uit niet gewend aan kritisch denken, schept zich daar een pseudoreligie.

Hirsi Ali draagt bij aan de begripsverwarring door te spreken en te schrijven over `de islam'. Welke islam? Het met tribale tradities doorweven volksgeloof van het Rif? De ruige variant van de Somalische nomaden? De `Nederlandse islam'? Die laatste is een in het getto versteende variant van de Marokkaanse en Turkse plattelandsreligie. De tweede generatie ging hier naar school en soms naar de universiteit. Dat leidde eerder tot secularisering dan tot theologische reflectie. Nederland kent vele islamkenners, maar bijna geen moslimintellectuelen. De niet zeer geleerde imams uit de streken van herkomst reken ik daar niet toe. Waar zijn de Nederlandse moslims die hun godsdienst historisch-kritisch en theologisch doordenken? Zoals Edward Schillebeeckx deed met het het katholicisme en Abdullahi Ahmed An-Na'im met de islam? Waar zijn de moslims die naast de koran en de hadith ook de religieuze hervormers kennen?

Hirsi Ali heeft gelijk: de ideeënwereld van de meeste Nederlandse moslims is niet aangeraakt door de Verlichting. Niet in het land van herkomst en, erger nog, evenmin in het land waar zij hun heil zochten. Want de erfgenamen van deze doorbraak in het Westerse denken, van sociaal-democraten tot liberalen, gingen geen gesprek aan over Nederlandse beginselen, maar volstonden met coöptatie van een enkeling. Hirsi Ali's huidige partijgenoten pleitten pas in de jaren '90 – dertig jaar na de komst van de eerste `gastarbeiders' – voor `aanpassing'. Dat was preken voor eigen parochie, geen poging tot communicatie.

Nu de stemming in Nederland is omgeslagen, blijkt hoezeer de norm van politieke correctheid meebuigt met de heersende wind. Het is niet langer bon ton moslims `in hun waarde te laten', maar om hen keihard te confronteren met aspecten van hun religie of het gedrag van radicale geloofsgenoten. Wie bij al dat verbale geweld smeekt om goede smaak, gooit het recht van meningsuiting te grabbel. Niet voor niets weigeren steeds meer moslims mee te doen aan publieke discussies, want ze zien aankomen dat ze daar slechts de kop van Jut zijn.

Wat `de islam' aangaat: de Europese Verlichting had geen invloed in het Rif en Anatolië, maar wel degelijk op de moslimintelligentsia in Kairo, Karachi en Jakarta. Hirsi Ali maakt een karikatuur van de islam, door die gelijk te stellen met de inhumane, tribale tradities van Somalië. Zij is een moderne kruistocht begonnen tegen een primitieve islam en herleidt anachronistische uitwassen tot – haar woorden – de `levensgevaarlijke kern'.

Desperate lieden vinden dat zij hun religie verguist en bedreigen haar met de dood. Ik ben solidair met haar, want denken staat vrij en geweld is geen antwoord op ideeën. Maar als zij iets wil betekenen voor `onverlichte' moslims, hoeft ze hen niet te bekeren tot Descartes of Bolkestein, maar kan ze verwijzen naar islamitische hervormers elders. Als ze hen niet kent, breng ik haar met genoegen met hen in contact.

Dirk Vlasblom is correspondent van NRC Handelsblad in Jakarta.